Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoerd oer gij den ouden mcnsch hebt afgelegd en voor nieuwe beginsel buigt, wie den strijd kent die naar buiten zal moeten worden gevoerd om ondanks tegenstand en miskenning getrouw te blijven aan wat uw geweten U om Christus' wil voorsehrijft, die weet wat ik bedoel als ik spreek van Jezus Christus en dien gekruisigd. Wie Jezus' beginselen predikt, weet dat hij even zeker zijn kruis moet aanvaarden als voor Jezus zelf de strijd eindigde aan het kruis. Zoo is het de eeuwen door geweest, zoo is het nog en zoo zal het wel altijd zijn, ook als de ruwheden uit de samenleving verdwijnen. Het is de eeuwige wet van het leven dat het nieuwe niet komt zonder strijd. Zonder doornen geen kroon,zonder strijd geen overwinning. E11 dat is maar goed ook, want nimmer wordt uw gemoedsleven zoo diep, uw karakter zoo gevormd en gestaald als wanneer gij in eigen strijd uwe levenswaarheden vindt.

Een ijveraar voor allerlei maatschappelijke hervormingen zal ik onder Ulieden niet zijn. Wat ik daarvan denk — hoe bekend overigens, ook aan TJ — is mijne zaak. Gij hebt uwe mcening, ik de mijne. Als leden eener zelfde gemeente reiken wij elkander over dergelijke meeningsverschillen heen de hand en letten op den hoogeren hand, die ons daarover heen aan elkander bindt.

Indien evenwel van andere zijde, welke dan ook, op uw geweten een beroep wordt gedaan en gij het werk der gerechtigheid en der liefde doen kunt omdat gij van mij geleerd hebt uw geweten te gehoorzamen en aldus ijverige strijders wordt voor maatschappelijke hervormingen, tegen maatschappelijk onrecht, niemand die zich daarover meer zal verheugen dan ik.

En nu M. II. heb ik tot u een ernstig verzoek, dat mij voor de vervulling van mijn ambt in uw midden van overgroote beteekenis schijnt.

Het heeft mij in mijn vorige gemeente wel eens gehinderd dat men mij of in 't algemeen den predikant te veel beschouwde als den man uit een anderen stand, die in huis ontvangen werd omdat zijn komst een zekere eer beteekende maar in wien men te weinig zag den vriend, den raadsman, tot wien men in zijn moeielijke oogenblikken zich wendt. Heusch, gij behoeft bij mij niet te biechten, maar wat ik u vraag laat mij uw hart eens zien, vertel mij eens wat meer dan het allerdaagsche, laat mij eens lezen in

Sluiten