Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit schrijvende was Jeremia in strijd niet de volksovertuiging, volgens welke toen reeds de besnijdenis de hoogste waarde had, gelijk b.v. zijdelings daaruit blijkt, dat „onbesnedene" een scheldwoord was voor de Filistijnen, Kanaiinieten en dergelijke volken l.

De volksovertuiging is gebleven; Jeremia heeft met zijne oppositie geen succes gehad. Reeds zijn geestverwant Ezechiël verschilde op dit punt, gelijk trouwens, op menig ander, van den bijzonder verlichten en uitnemenden, maar voor bet nationale jodendom te hoog staanden meester. Eerst Paulusvan Tarsus zou na zes eeuwen weer profeteeren als Jeremia, en bet geluk hebben de besnijdenis der voorhuid, althans bij de christenen, voorgoed uit te roeien ten voordeele van de besnijdenis des harten en van den waren godsdienst zeiven.

Hoe ingenomen Ezechiël, de eerste profeet der Babylonische ballingen, ondanks Jeremia met bet gebruik bleef, blijkt uit zijn herbaalde bedreiging: „gij zult den dood der onbesnedenen sterven", „in het midden der onbesnedenen zult gij liggen"

Intusschen was Ezechiël nog niet, gelijk eene eeuw later P, van oordeel dat de besnijdenis exclusief Israëlietisch is en als zoodanig teeken van het verbond met Jahve 3. Hij weet, dat ook andere volken, zooals b.v. de Edomieten en Egyptenaren, besneden zijn en dat zij daardoor, even zoo goed als Israël, een praerogatief hebben, dat hen verheft boven <le onbesnedenen 4.

Waarom de besnijdenis boven een onbesneden voorhuid te verkiezen is, wordt niet door Ezechiël gezegd. Als Jahveteeken kon zij natuurlijk bij de andere volken niet gelden. Misschien lag de voortreffel ijk beid dier besnedenen voor den profeet daarin, dat zij door de besnijdenis met de Israëlieten iets belangrijks gemeen hadden en op dezen geleken.

Of mag men uit de beeldspraak onbesneden en besne-

X) Vgl. Kicht. 14 s; 1 Stmi. 17ai; Oen. 34 14. 2) Ez. 2810; 3118. 3) Gen. 1710 v.

4) Zie Esech. 32s»,ao,32. Uit deze teksten en uit ilie van Jeremia blijkt de onjuistheid van Munk's beweren: „la eirconeision des juifs diffërait essentiel lement de eelle de» au tres i>euples de 1' antiquité". Zie Munk, Le Guide de» Ksarés UI, 41H. Aant. 2.

Sluiten