Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt. Het verhaal Exod. 4 is intusschen voldoende 0111 duidelijk te maken, dat, evenals bij andere volken, in Israël aan besnijdenisbloed genezende kracht wordt toegekend.

Ook hierin ben ik het met de Leidscbe vertalers eens, dat bij (zijne voeten) waarschijnlijk gedacht is aan het

manlijk lid van Mozes. Immers dit euphemisme komt meer voor in het Hebreenwsch. Kieschheidshalve noemt men de genitalia roeten, en urine heette daarom voetenwater Smitii wil liever aan de voeten zelve denken; maar deze extremiteiten zijn, dunkt mij, te weinig essentieel om bier zulk eene rol te spelen. De genitalia representeeren het menschelijk wezen in zijn geheel beter.

Onjuist echter schijnt mij de aanteekening in de L. V., volgens welke „de aanraking met de bloedige voorhuid van zijn zoon in de plaats kwam van de kunstbewerking, die Mozes eigenlijk zelf had moeten ondergaan". Of' Mozes zelf besneden was of niet, deed niets ter zake. Dat bij, gelijk sommigen nieenen, den toorn van God had opgewekt door zich niet te besnijden, staat nergens dat de besnijdenis van zijn zoon in plaats van de zijne trad 3, en „deutlieb als Ersatz mul als deckender Schutz" diende (Bakntsch), blijkt uit niets. liet is ook onmogelijk, dat de aanraking met eens anders voorhuid bet effect kon hebben van de besnijdenis der eigen voorhuid 4.

Het slot is duister, maar in ieder geval door de Leidscbe Vertalers niet goed begrepen. „Ken bloedbrtiidegom zijt gij mij", beteekent stellig niet, gelijk zij meenen: „door deze bloedstorting zijt gij (Mozes) mij (Zippora) een ware bruidegom . Hoe konden de vertalers dit schrijven, als zij zelve twee regels verder terecht opmerken: „eigenlijk is de uitdrukking niet gepast ten aanzien van Mozes, die reeds

1) 2 Kuil. IS27; Joi. 36 ït (Kerf); Jes. 720.

2) Zeer juist L. V.: „Waarom Jaluve hein wilde dooden, wordt niet gezegd. Ook geelt de schrijver niet te kennen dat Mozes iets misdreven had. I11 de voorstelling der oude Israëlieten is Jahwe vaak toornig zonder oorzaak".

3) Wellhu-sf.n Reste. 8. 175. Prol.2 360.

4) Nog onmogelijker is wat Wellhavskn er in ziet, Reste S. 175, Z. 14 17 Prol. 55. 6—4 v.o.

Sluiten