Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zware zieken met besnijdenisbloed te bestrijken als met een goddelijk genees- en toovermiddel. Wellicht wijst liet woord van Zippora op een bezweringsformulier, dat bij dergelijke tooverij gebruikelijk en noodwendig was Tocli acht ik, al verwerp ik Smitu's conjectuur over het slot van het verhaal, de lezing van den M. T. niet boven bedenking verbevenVooral de herhaling: „een bloedbruidegom met het oog op de besnijdenis" maakt een zeer vreemden indruk. Zij kan, zou men zeggen, zoo als wij ze hier vinden, nauwelijks iets anders zijn dan eene verklarende glos. Merkwaardig is het stellig dat de LXX dit geheele slot anders heeft. Vs. 25b en 2<i luiden bij haar dus: hirtv "enn/ r<> «uut 7/,V tthjitoui'^ toü Truiniou /4oi'. xa) uirijkOf-v utt' uitiiö Hiuti tintv "fktri] rit u'iiia Ti;»• TTHiiTitiii]^ tul' ttuMiw iioi'." Zullen deze regelen zin geven, dan moet (bis) oorspronkelijk «rri geluid hebben, en dit daarvoor weer in de plaats gesteld worden. Er staat dan: „Zippora zei de, terwijl zij Mozes' schaamtedeelen met de Moedige voorhuid bestreek: het is het besnijdenisbloed van mijn kind. Toen liet Jahve van hem (Mozes) af, omdat zij gezegd had: het is het besnijdenisbloed van mijn kind". Dat ook hier de herhaling gemist zou kunnen worden, spreekt van zelf. Maar de volzin is in zijn geheel beter, logischer dan in H. Het is ecliter mogelijk dat de Grieksche vertaling samenhangt met het streven om den duisteren Hebr. tekst te verduidelijken. Tot de hoofdzaak doet dit niet af. Want de pointe ligt niet in de woorden van Zippora, maar in hare daad: de aanwending van heilig besnijdenisbloed tot genezing van zware zieken. Dit moet, al lezen wij er elders in het O. T. niets van, bij Israël oudtijds gebruikelijk geweest zijn, gelijk bij andere volken en stammen. Daarop wijst duidelijk dit verhaal.

Het resultaat van ons onderzoek naar oorsprong en doel der besnijdenis in het algemeen en bij Israël in het bijzonder is niet geheel bevredigend, omdat het, ofschoon waarschijnlijk, onzeker is.

1) „Zu Alletn kornuit notwendig hinzu das Besprechen mit der Besehwörungsformcl", Wei.lhausen Ueste Kil.

Sluiten