Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der theosophio noemt, l'it de weerlegging van de toen gewoneen nog niet ongewone bewering dat men 't heel hoog en heel diep moet zoeken, dat het gebied der H. S. een abnormaal gebied is, voor hetwelk bijzondere regels van verklaring gelden, blijkt duidelijk, hoe bij de hand, hoe schrander, hoe scherpzinnig Sp. was.

„Allen'', schrijft hij*, „die van deze meening zijn, stemmen toe, dat het lumen supranaturale, tot de Schriftverklaring volstrekt noodig, alleen aan geloovigen verleend kan zijn." Nu zien wij evenwel, zoo vervolgt hij, dit: dat profeten en apostelen niet bij voorkeur voor geloovigen, maar voor ongeloovigen en goddeloozen predikten, die zij dus blijkbaar in staat achtten hen te verstaan. Anders konden zij ook van hun woord geen bekeering verwachten, en zouden zij een nutteloos en doelloos werk ondernomen hebben.

Het is aliis verbis dezelfde redeneering, die indertijd uit de pen van Paulus vloeide, toen hij schreef: „als tot verstandigen spreek ik, oordeelt gijlieden zelve met uw verstand wat ik zeg."

Tegen deze redeneering van Spixoza valt, zou men meenen, niet veel in te brengen. Als de groote predikers der joden en der christenen van oordeel zijn geweest, dat de gewone menschen, hunne toehoorders, met hun eenvoudig verstand, zonder eenige bovennatuurlijke bewerking, „sine ullo lumine supranaturali", hen begrijpen konden, waarom zal men dan voor de tegenwoordige bijbellezers en hoorders wèl 't lumen supranaturale eischen?

Toch heeft Siegfried geen vrede met de redeneering van den wijsgeer. „Hier ist zu bemerken", schrijft bij -, „dass, so richtig jene Principien an sicli sind, doch ihre Handhabung keinen giinz sichern Erfolg verspricht". De opmerking verrast, omdat Spixoza's redeneering op dit punt afdoend schijnt; ook treft zij bij nadere overweging niet door hare juistheid. Zij herinnert aan de bekende manier van argumenteeren, in liet dagelijksch leven vaak gebruikelijk: ,,'t is wel waar wat gij zegt, maar ik vind toch " Als de beginselen, gelijk

1) I, 475.

2) Spinoza als Kritiker und Ausleger, S. 52.

Sluiten