Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens aanleiding zal geven, om te toonen, hoe verlicht Sr. ook op dit gebied was. Terwijl de meesten t. t. t. op het gebied der Hebreeuwsehe vocaalleer nog in duisternis rondtastten; terwijl de Buxtorf's hunne banbliksems slingerden tegen allen, die de onfeilbaarheid der Hebreeuwsehe klinkerteekens betwistten; terwijl een bekrompen menigte, ook van geleerden, elkander bang maakte met het: „geen tittel, geen jota" van Jezus, — leerde Spinoza, sterk en kalm door zijne wetenschap: „de vocaalteekens zijn bijgevoegde verklaringen van nieuweren, en verdienen niet meer gezag dan alle andere verklaringen".1 Daarbij voegt hij dan tevens een treffend voorbeeld van de noodzakelijkheid om op zulke dingen acht te geven en ze wel te overwegen.

Hij haalt namelijk een tekst aan, die daarvoor uitnemend dienst kan doen. Ergens in Genesis2 lezen wij, dat Jaeob zijn zoon .Jozef een eed afneemt met het oog op de door hem gewenschte begrafenis in Kanaan. Hierbij boog zich, gelijk men den tekst gewoonlijk opvat, de aartsvader aan het hoofdeinde van het bed. De uitdrukking is echter zeer vreemd en geeft geen duidelijke voorstelling van het ritueel. In den brief aan de Hebreën3 en evenzeer in de Grieksche vertaling der wet is de voorstelling eene ganseh andere: Jacob buigt daar bij het beëedigen van zijn zoon bet hoofd boven zijn staf. Volgens afbeeldingen uit de Aziatische oudheid was dit inderdaad een ritueel bij den eed. Spinoza kiest dan ook deze opvatting en wijst er op, dat de verklaring van de vocalisatie afhangt, en dat de aartsvader nog niet op zijn sterfbed lag.

De medeklinkers, die er staan, zijn m, tb, h. Leest men die mitthah, dan verkrijgt men l>ed, leest men ze mattheh, dan verkrijgt men staf. Sr. leest mattheh, de meesten lezen mitthah, Ik laat nu in het midden, wie in dezen gelijk heeft: Spinoza of de meerderheid der uitleggers. Hierover in discussie te treden zou mij nu te ver afleiden. Ik breng den tekst en Spinoza's redeneering er over alleen bij ten bewijze, hoe goed hij zijne stelling verdedigde, dat men bij de exegese des O. T. terwijl men met de vocaalteekens rekening houdt, de teksten

1) I, 470.

2) Gen. 47 si.

3) Hebr. 11 21.

Sluiten