Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat zij de echte zedeleer bevat. „Ex hoe enim solo ejus divinitas demonstrari potest," meent hij. Zoo staat het er dus mee. Spinoza gelooft wèl aan een Woord Gods in de Schrift, aan eene bovennatuurlijke openbaring van God, aan goddelijke zedewetten; al ontkent hij daarbij niet, maar laat hij zelfs sterk uitkomen, dat wij dezen schat hebben in aarden vaten, en dat aan mechanische mededeelingen, waarbij de bijbelschrijvers niets dan blaas- of spreekinstrumenten deigodheid waren, gelijk velen het t. t. t. voorstelden, niet te denken valt'.

E11 0111 deze reden, t. w. 0111 het menschelijke in de Schrift, stelde hij veel belang in de vraag naar het tot stand komen der Schrift. Uit de opvatting van den bijbel, zoo als hij die had, kon en moest voortvloeien de inleiding, de geschiedenis der Isr. letterkunde, welke hij begon en warm aanbeval. Daar het Verbum Dei, de openbaring, tot ons is gekomen door menschen, wier subjectiviteit en individualiteit op zijne redactie invloed hebben gehad, zoo zelfs dat in rebus speculativis de profeten bet niet met elkander eens waren - en de verbaiers in de historische berichten zich door de vooroordeelen van bun tijd lieten leiden — is het van veel belang, zoo veel mogelijk te weten aangaande ben, die Gods Woord oj) schrift brachten. Hun leven, hunne zeden, bun streven moeten wij kennen. Wij moeten weten, in welken tijd, bij welke gelegenheid, voor welke menschen zij schreven, meent bij.

Zonder die subjectiviteit der Schrift, oin bet zoo uit te drukken, zou de belangstelling in al deze dingen ondenkbaar of misplaatst wezen, voegt hij er bij. „Het dog me der inspiratie verhinderde iedere wetenschappelijke beschouwing", zegt Fkkcdexthai, terecht3. Immers de Schrift heette openbaring.

1) Wie don brief aan den Oud-Hoogleeraar Dr. J. ('. Matthks in ThSt van li)09 lilz 8—10 leest, ziet, dat de Hoogleeraar Valetob, die hem schreef, nog precies op liet zelfde standpunt als Si-inoza staat, wanneer hij opmerkt, dat „in de Schrift voorkomen verkeerde vertalingen, glossen, vergissingen, onnauwkeurigheden. onjuistheden," maar dat hij desniettemin vasthoudt aan het „gezag" van de Schrift.

2) 1. 467. 3) 8. 162.

Sluiten