Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigd. Zoo werd Jacob, volgens liet bock Genesis, een bruidegom van 84 jaren, en werden de beide zusters, die hij achtereen huwde, bruiden van denzelfden leeftijd1. In de geschiedkundige boeken heerscht, gelijk Spinoza aantoont, om dezelfde reden soortgelijke onhoudbare chronologie.

Men bemerkt dus, dat het in deze literarisch-historische critiek van Sr. niet ontbreekt aan juiste beschouwingen. Dit geldt ook van het vervolg, als hij in het tiende hoofdstuk van den tractatus over de overige o. t. boeken handelt. Zoo zag hij zeer goed, «lat de Kronieken lang na Ezra geschreven werden, al plaatste hij ze wel wat heel laat; en ook wordt hetgeen hij over het Psalmboek beweerde, door het nader onderzoek bevestigd. Dit is geen Davidisch Psalmboek, zegt hij, maar het gezangboek van den tweeden tempel. Goed gezien.

Soms echter stuiten wij op beweringen, die op deskundigen van onzen tijd een vreemden indruk maken. Zoo b.v.2 de opmerking: „Daniël, Ezra, Ester en Nehemia zijn van denzelfden auteur: quisnam autem is fuerit ne suspicari quidem possum." Dit laatste zal wel waar zijn: de man is niet eens denkbaar. Zeker, Ezra en Nehemia behooren bij elkaar; zij vormen samen liet slot van Kronieken. Maar van Ester en Daniël verschillen zij zoo zeer in stijl, als deze twee onderling verschillen. Zonderling ook, dat Sp. het boek Rut met Riehteren verbindt, terwijl de Joodsch-Palestijnsche kanon, door Rut bij den bundel der Ketubim (hagiographa) onder te brengen, zeer goed bad doen gevoelen, dat deze twee geschriften niet bijeen behooren en geen punt van overeenkomst hebben.

Daar Sp., quamquam Judaeus, toch het N. T. ook tot den bijbel rekent, acht hij het principieel eigenlijk wel tot zijne taak te behooren, daartoe zijn onderzoek evenzeer uit te strekken. 3 Hij doet het echter feitelijk niet, omdat, naar liij zegt, anderen zich er mee bezig houden, en vooral omdat, gelijk hij beseft, hij daarvoor geen Grieksch genoeg kent: „tam exactam linguae Graecae cognitionem non habeo, ut liane provinciam suscipere audeam."

1) I, 404.

2) I, 500.

3) I, 514.

Sluiten