Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar rijst voor mijn oogen die machtige stad,

Die daar ligt aan het IJ en aan 's Amstelstrooms nat; Die stad, die schoon prijkt met haar straten en grachten; Die we roemen en prijzen en eeren en achten; Die Europa steeds noemd' het Venetië van 't Noorden; Die nauw'lijks genoeg wordt geroemd door mijn woorden; Die stad met haar water, dat geurt in de wallen; Die stad met haar asphalt, waar d' paarden op vallen; Die den vreemd'lingen toont synagogen en kerken; Die bezit een stadhuis met veel schrijvers en klerkenDie haar Handelsblad heeft met zijn hoofd Boissevain, Die Oom Paul hoog verheft en verwenscht Chamberlain; Die stad, die versierd wordt door torens en daken,

Die die stad tot iets schoons op Gods aardbodem maken.. Amsterdam is die stad, die hiermee ik U noemde; Amsterdam is die stad, die ik prees, die ik roemde.

En daar treedt voor den geest mij een vroolijk gejoel,

Een levendig draven, een dringend gewoel,

Een golvend gewriemel, een jagend geloop:

Een groeiende massa bij vérkoop en koop;

Een menigte lieden, die alles hier venten:

\ an knoopjes tot boekjes, van schoensmeer tot prenten.

En daar hooren mijn' ooren in schoon' harmonie

En ik hoor het zeer goed zonder phonographie—:

Veel stemmen, die krijschen en ramm'lend gesuis, En roepend geschreeuw en luidruchtig gedruisch

Sluiten