Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar prijst één zijn waar aan met 'n heele hoop woorden —Hij spreekt over dassen en frontjes en boorden—;

En hier staan wat koojilui met prenten en boeken:

En daar een hoop mensehen bij 'n koopman in koeken; Ginds hoor ik één schreeuwen van kastjes en kasten; En verder een man weer van linten en kwasten;—

Bij een blauwen, een witten of zwartgrijzen hemel Is 't immer en altijd 'n rumoerig gewemel;

't Is een eeuwige wiss'ling van 't mijn en van 't dijn

Daar toovert mijn oog mij het Wateriuoplcin.

Welken naam wrel ervan ons de toekomst eens biedt, Ja, vriend'lijke hoorders, dat weet ik nog niet:

Maar: wordt Waterlooplein tegenwoordig gezeid, Zie, Groenmarkt men zeide in vroegeren tijd.

Zie, het was in die kalme en rustige dagen,

Dat van woedenden strijd en van heftige slagen,

Europa met alles en alles eens rust had,

En geheel niet in kibb'len en vechten nog lust had. Ook Nederland rustte van razenden strijd,

En streefde naar welvaart met ijver en vlijt,

En werkte en arbeidd' en zwoegde ten zeerste

't Was onder d' regeering van Willem den Eerste.

En het was nog zoo lang niet na 't achttiende honderd, Nadat Frankrijks kanonnengeschut had gedonderd,

Toen de ad'laar verloren had tegen den leeuw.. ..

Want het was in 't begin van de negentiend' eeuw. En zeven maal drie vormt het gulden getal,

Waarvan ik U, luist'raars, verkondigen zal.

En de datum in kwestie, waarvan ik wou spreken,

Is de vijftiende van Junuaric gebleken.

Maar nu over d' maatschapp'lijken datum ik 't had,

Nu zie 'k, dat de Joodsche ik ganseh'lijk vergat.

Vijfduizend vijfhonderd en tachtig en één,

Is het jaartal in rek'ning van 't Joodseh, naar ik meen; En die vijftien Januari, waarover ik 't had Komt naar 't Loech overeen met den twaalfden Sjewat.

Sluiten