Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nu was het op dien gedenk waard igen dag Toen lachte een vader 'n gelukkigen lach;

En hij bad met zijn vrouwe, zoo innig van geest,

Tot God, die voor hen weer zoo goed was geweest;

Want daar was toen —wilt, vrienden, nu goed naar mij liooren — Want daar was toen een liefelijk meisken geboren.

t opregte tapeythüys, zoo heette de woning,

Waar, als een door God hun gezonden belooning, Een dochterken kwam toen, zoo aardig en klein,

In der ouderen hand, zoo aanvallig en rein.

En dat meisje, dat kwam toen bij mijn overgrootpa,

Dat was nu, o luisteraars, mijn' lieve Grootma.

En dat dochterken groeide en bloeide zoo vaardig,

En 't ging zoo voorspoedig, zoo lief en zoo aardig

Ende ziet, nu gebeurde het na een paar jaar Dat ouders en kind'ren verhuisden van daar.

Kinderen zeg ik; want op het sted'lijk register,

Waren d' namen geschreven van mcerdre Geschwister.

Daar zie ik, daar schouw ik, daar rijst voor mijn geest,

Die straat, die wel steeds evenzóó is geweest,

Zooals heden zij zich aan onz' oogen vertoont,

Met haar huizen, die nooit door een »goi" zijn bewoond;

Die straat, die de grensstraat eens was onzer stad

—Zoo meldt, zwart op wit, het archievelijk blad—;

Die midden in d' Jodenbuurt hier is gelegen;

Die dan ook naar de Joden haar naam heeft gekregen;

Die straat niet haar stall'tjes, met allerlei fruit,

Waar de toren der Zandstraat muziek over luidt

Gij, hebt mijne hoorders, wel allen gevoeld,

Dat ik d' Jodcnbreestruat hiermee heb bedoeld.

Nu trok dan daarhenen mijn overgrootvader,

Met zijn vrouw en zijn kinderen allen tegader,

En hij trok nu daarheen, naar den Toren verguld,

Naar dat huis, dat gansch in een Joodseh kleed was gehuld.

Sluiten