Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat, indien de grondslag wezenlijk verschillend ware, bezwaarlijk een in wezen overeenkomende opbouw van ethiek en moraal te verwachten zou zijn.

Het aantal stelsels van wereld- en levensbeschouwing dat in onze samenleving verdedigers vindt, is niet te tellen. Toch zijn er algemeene hoofdtypen die de maatschappelijke opvattingen beheerschen. De meest invloedrijke zijn wel:

de materialistisch-egoïstische opvatting, die zegt — de bestemming van den mensch is: zoo gelukkig mogelijk te zijn;

de sociaal-altruïstische opvatting — de menschheid zoo gelukkig mogelijk te maken;

de Christelijke opvatting, welke verkondigt — de bestemming van den mensch is: Gods wil te doen.

Moet ik zelf een antwoord op de gestelde vraag geven, dan luidt dit: — de bestemming van den mensch is: te ontwikkelen van zelfbewustzijn tot Godsbewustzijn ').

Men kan deze zelfde gedachte ook aldus uitdrukken: in liefde één te worden met God; of wel: volmaakt te zijn gelijk God volmaakt is. Deze éénwording met God betreft zoowel God geopenbaard in ons Hooger Zelf, als God geopenbaard in Zijn schepselen.

Is dit de bestemming van den mensch, dan vloeit daaruit aanstonds voort als beginsel van levenspraktijk een tweevoudig ethisch gebod — tweevoudig omdat God zoowel in ons als in onze medeschepselen leeft — een ideëel gebod aldus aan te duiden:

— streven naar zelfvolmaking, of het gebod van Heiligheid;

— streven naar ontwikkeling van 't gevoel van eénheid met al wat leeft, of het gebod van Liefde.

Het is duidelijk dat deze levensbeschouwing, deze grondslag van ethiek, welke ik de religieus-evolutionistische zou kunnen noemen, hoezeer ook anders geformuleerd, in wezen overeenkomt met de Christelijke, want de twee groote geboden van Jezus zijn dezelfde.

Toch is deze beschouwing in den diepsten grond geenszins in strijd met de niet-Christelijke: met de zoogenaamde materialistische en met de sociale opvatting; wat blijkt zoodra men nagaat wat deze beide laatsten met „geluk" bedoelen.

Slechts oppervlakkig zou de meening zijn dat dit kon beduiden :

De gronden waarop deze stelling berust, heb ik ontwikkeld in het opstel: „Het belangrijke van het menschenleven", in het maandschrift „De Vrije Mensch", Januari—Maart 1909.

Sluiten