Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nachlassigkeiten" te zamen moeten beschouwen, dan heeft hij bitter weinig gewonnen. Want de geheele vraag, of Moses de bovennatuurlijke openbaring verdiend heeft, doet immers niets ter zake.

Hier is het ons om de vraag te doen, of wij nog altijd zoeken naar den Sinai.

Wij zouden overigens die los daarheengeworpen bewering van Delitzsch met schouderophalen voorbijgaan, als ze niet door anderen vóór en na hem geuit was, — en dat op eene wijze die den goedgeloovigen lezer nog verder van den weg leidt, en tevens de vraag of wij den Sinai kennen tot een vraag van gewicht maakt.

Gunkel beweert, dat Delitzsch hier zich niet voldoende op de hoogte toont, wijl „vele nieuweren" meenen, dat de berg zelfs niet op het schiereiland gelegen heeft, waar Delitzsch hem nog altijd zoekt, en dat trouwens aan den Sinai zijn tegenwoordigen naam ontleent. Hommel verzekert eveneens, dat eerst eene latere monnikenoverlevering den berg naar het schiereiland verplaatst heeft, maai- dat hij feitelijk in Noordwest-Arabië, iets ten O. van Akaba lag. En werkelijk is deze bewering niet nieuw meer. Bij Wéll- ' hausen vinden wij ze reeds in 1886, later bij Moore, Stade, Yon Gall, Beke. Anderen, als Gratz, Winckler, Smend, Guthe, hebben den heiligen berg nog verder buiten het schiereiland naar het noorden gedragen, tot op tien of elf dagreizen van zijne overgeleverde plaats, in de nabijheid nl. van Cadesbarne, waarvan Deut. 1, 2 getuigt, dat het elf dagreizen van den Sinai lag 8).

Het is mogelijk, dat Gunkel gelijk heeft, inzoover hy meent, dat Delitzsch omtrent de meeningen dier geleerden „nicht genügend orientiert" was. Maar zijn die drie verschillende meeningen omtrent de ligging van den Sinai geen bewijs voor de juistheid van het gezegde van Delitzsch, dat wij nog altoos aan het zoeken zijn? En dat Moses dus de „Nachlassigkeit" begaan heeft, hem niet nauwkeurig genoeg aan te wijzen? Ik voor mij meen, dat de Pentateuch in dit

Sluiten