Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de critici, zeven eeuwen vóór Christus geschied zijn. De „monnikenoverlevering" van den zuidelijken Sinai is minstens 1000 jaar ouder dan de Sinaimonniken. Op welken grond geeft men thans de voorkeur aan een geschrift, waarvan men erkent, dat men er slechts brokstukken van kan terugvinden, en dat in die brokstukken bare onmogelijkheden staan?

"Wat denkbeeld vormt men zich verder van de andere bronnen (E, D, P), die den Sinai in het zuiden van het schiereiland plaatsten? Hoe is deze overlevering ontstaan,— in de onderstelling nl. dat de andere ouder en juister was?

Verbeeld u: vijf, zes, zeven eeuwen na Moses wonen de Israëlieten rustig in Palestina. Eene oude overlevering zegt hun, dat hunne vaderen in Moses' tijd eene openbaring hebben ontvangen bij den berg Sinai, in de buurt van Cades (of, volgens Hommel c.s., in Madian, oostwaarts van de Elanietische Oolf). Desondanks komt een schrijver op den inval, dat die berg niet in de nabijheid van Cades, maar tien of elf dagreizen verder zuidwaarts in de zuidelijke groep van het schiereiland lag. Men vraagt onwillekeurig: Hoe is hij op die gedachte gekomen'?

Het eenige antwoord, mij bekend, is dat van Holzinger:

De verplaatsing van den berg naar het schiereiland, reeds in de hebreeuwsche oudheid voltrokken, kan... haar aanknoopingspunt gehad hebben in een heiligdom op het schiereiland, waaraan de naam van den maangod Sin verbonden was. Maanvereering (vollemaanviering') is nog aan het einde der zesde eeuw bij heidensche Arabieren in de Sinaistreek vastgesteld (Z. D. M. G. 111, 161, 203; Hb. A. 1501 a) «'),

Holzinger heeft dus twee gegevens; eerstens: in de zesde eeuw onzer jaartelling vierden heidensche Arabieren in de omstreek van den Djebel Moesa het feest der vollemaan. Hieruit wordt afgeleid, dat er ook zeven of acht eeuwen vóór Christus een heiligdom der maan zal geweest zijn. Ten tweede: zeer ver van daar, in Babyion en in Zuid-Araibie1B), heette de maan als godheid Sin. Dit is

Sluiten