Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeldendienst, ook van beelden van den waren God. Ons tweede gebod is dus bij hen het derde, ons derde bij heil het vierde, enz. — en ons tiende gebod zou bij hen het elfde zijn, indien zij niet het tiende met het negende tot e'én verbonden: iets wat te minder bezwaar heeft, wijl in beide de inwendige zonde van begeerte verboden wordt: gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren; gij zult niet begeeren wat uws naasten is.

Nieuwere geleerden, als Kuenen en Oort nemen het inleidingswoord: „Ik ben Jahwe, uw God" afzonderlijk als het eerste „woord" — en houden het verbod van beeldendienst voor een later toevoegsel.!") Het voor en tegen dier verschillende tellingen na te gaan, ligt hier buiten ons bestek. Voor de beteekenis en de waarde der geboden is het trouwens van weinig belang. Wat mij betreft, gevoel ik wel neiging om tot zekere hoogte Kuenen te volgen. Hetgeen over den beeldendienst gezegd wordt schijnt mij werkelijk toe, niet tot den oorspronkelijker, vorm te behooren. Toch is hiermede nog niet gezegd, dat het niet van de hand van Moses is.

Wij komen hier, zooals gezegd, op het veld der letterkundige critiek, waar de „vijandige mensch" veel onkruid gezaaid heeft, doch waar niettemin ook voor de geloovige schriftverklaring nog vrij wat tarwe te oogsten valt.

De „tien woorden", zooals wij ze thans in den Bijbel lezen, zijn zeer verschillend van omvang. Drie zijn er, die in het hobreeuwsch uit slechts twee woorden bestaan: lo tirs&ch, lo tin'af,, lo tignöb: gij zult niet doodslaan, geen overspel doen, niet stelen. Andere integendeel zijn breeder uitgewerkt, merkelijk breeder nog dan in onze catechismussen. Daarbij is die breedere uitwerking, zooals wij boven reeds aanstipten, in Deut. 5 eenigszins verschillend van die in Ex. 20. De meeste verschilpunten betreffen spelling of taalvormen of woordvoeging, en zijn in vertaling niet terug te geven. Een enkele omzetting van een paar woorden, een en minder of meei, ean verwisseling van

Sluiten