Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebod: gij zult niet.... — of een bevestigende imperatief..-. Wees gedachtig dat gij den sabbatdag heiliget... Eer uwen

vader en uwe moeder...

En toch ligt in die weinige, eenvoudige, voor een kind verstaanbare woorden meer wijsheid dan in de 282 wetsartikelen van Hammoerabi, die immers geen enkel godsdienstig denkbeeld bevatten, — wat zeg ik ? meer ware wijsheid dan de priesters en geleerden van het trotsche Babyion en van het even trotsche Egypte in al de eeuwen van hun bestaan hebben uitgedacht. Doch ik wil hier nog geen vergelijkingen maken. Ik vraag alleen: wat leeren ons die korte woorden? En wat leerden zij vanouds aan iederen jeugdigen Israëliet, knaap of meisje, die ze leerde op den schoot zijner moeder?

„Ik ben Jahwe, uw God."

Daar is een Heer hierboven, Hij die is, Jahwèh. Hij is geen vreemdeling: Hij spreekt tot U. Hij spreekt tot iederen Israëliet, en noemt Zich: uw God. En Hij spreekt zooals het den Heer van aarde en hemel betaamt. Hij gebiedt en vei biedt, met de beslistheid die zijne goddelijke oppermacht past.

Hij regelt al uwe verhoudingen tegenover uwe meerderen en tegenover uws gelijken. Maar Hij bescheimt ook al uwe rechten en bezittingen, uw leven, uw gezin, uwe goederen, uwe eer, uw gezag over uwe kinderen, en uw recht op hunnen eerbied en hunne liefde.

Eerst en vooral evenwel waakt Hij over zijne eigen rechten, zijne eigen eer. De plichten des menschen tegenover de Godheid staan voorop. Zij vormen den grondslag van alle andere plichten. Al de tien geboden z«n geboden Gods. Zijn heilige wil moet het richtsnoer zijn van alle vrije handelingen des menschen. Onze eerste plicht, die tot zekere hoogte alle andere plichten insluit, is de erkenning onzer afhankelijkheid van zijne eeuwige oppermacht. Daarom staat als eerste gebod, of juister als inleidingswooid vóór de geheele reeks van geboden : „Ik ben Jahwe, uw God."

Sluiten