Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huishoudelijke en burgerlijke beschaving den Israëlieten eeuwen en eeuwen voor. Eenige van de tien geboden, de eerste beginselen der natuurwet, zooals het verbod van moord en overspel, waren ook daar niet onbekend. Maar een zoo welgeordend geheel van godsdienstige en zedelijke denkbeelden, zoo veelomvattend en zoo beknopt van vorm als onze decaloog, zoo diepzinnig reeds in de bloote rangschikking van 's menschen plichten jegens God, jegens de overheid, jegens den evenmensch als zoodanig, is aan den Nijl of den Euphraat niet gevonden.

Wat meer zegt, de godsdienstige ontwikkeling vormde in beide landen de schrilste tegenstelling met de hooge beschaving op ander gebied. Alleen de egyptische dierenvereering spreekt boekdoelen. Baby Ion telde zijne goden en godinnen bij dozijnen, — Hammoerabi noemt er in de inleiding van zijn „wetboek" niet minder dan zeventien — en wat babylonische mytliendichters van de lotgevallen, de oorlogen, de minnarijen dier godheden verhalen daalt maar al te vaak zelfs beneden menschelijk peil. In den eeredienst heerschte de meest ongebonden wellust naast eene ongeloofelijke mate van bijgeloof. Tot de bedienaren der talrijke heiligdommen behoorden mannelijke en vrouwelijke toovenaars, waarzeggers, wichelaars, uitleggers van droomen en honderdei'lei goede en kwade voorteekenen, geestenbezweerders, — zoowel als veile tempeldienaressen 39).

Stel nu daartegenover de eenheid van Israëls G-od: „Ik ben Jahwe, uw God: gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben." Dan maakt dit eerste van Israëls geboden den indruk van het eerste scheppingswoord: „Er zij licht," over den duisteren oerbaaiert gesproken. En het blijkt vruchtbaar en zegenrijk voor alle volgende menschengeslachten, als het natuurlijke licht voor de zichtbare schepping. De eerbied, door dien éénigen God zelfs voor zijn Naam gevorderd, en de verplichting om een dag van iedere week aan zijnen dienst te heiligen, geven verder aan de vereering van den waren Oud, aan den openbaren

Sluiten