Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van onderscheid te gedenken — had iedere god zyne godin naast zich. In Israël heeft zelfs de wildste geschiedenismakerij nog nooit beweerd, daarvan een spoor te hebben gevonden. Zelfs het woord „godin" is den Bijbel onbekend. Een andere karaktertrek van Jahwe, die nergens zijne wedergade vindt, ligt in ons eerste gebod zelf: in den eisch, aan zijne aanbidders gesteld, om geene „andere goden" te vereeren.

Wel weten wij, dat de Israëlieten, of althans vele Israëlieten, in den loop der eeuwen herhaaldelijk tot afgoderij zijn vervallen. De Bijbel is daar vol van. Zelfs gruwelen als de chananeesche kinderoffers hebben in de geschiedenis van het volk Gods bloedige sporen gelaten. De geloovige Bijbelvorscher heeft geen recht, dat te ontkennen, en zou bij die ontkenning ook waarlijk geen belang hebben. Hij mag hier veeleer de aangehaalde bemerking van Lagrange herhalen: hoe meer het israëlietische volk uit zijn aard naar het veelgodendom en naar heidensche gruwelen neigde, des te duidelijker blijkt, dat de hoogere godsdienstige en zedelijke denkbeelden, die het desondanks van zijne buren onderscheidden, aan bovennatuurlijke openbaring en leiding te danken zijn.

Dat de dienst van Baiil en Astarte in Israël niet vanouds inheemsch, maar veeleer een gevolg was van den omgang met de Chanaanieten en van den verleidelijken aard der heidensche feesten en offermalen, wordt ook wel door niemand bestreden. Over het menschenoffer hooren wij van de meest onverdachte zijde getuigen, dat het „bezwaarlijk uit den bodem van het Jahwisme kan zyn opgegroeid, maar veeleer van de zijde der Chanaanieten ingedrongen en enkel in bepaalde tijdperken kan in practijk gebracht zijn." **)

Uit die practische afgoderij tot eene beperkte theoretische opvatting van het eerste gebod, in den zin van enkele monolatrie, te besluiten, schijnt ondoenlijk. De vereering van „andere goden" was daar in ieder geval verboden. De

Sluiten