Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goden" schijnen te onderstellen. Doch men zij hier voorzichtig met gevolgtrekkingen tegen hun monotheïsme. Want eerstens heelt de dichterlijke taal ten allen tijde verpersoonlijking van gedachtewezens toegelaten. En ten tweede werd liet hoofdbestanddeel der heidensche godenwereld door werkelijk bestaande wezens gevormd : „de zon, de maan. de sterrenbeelden en geheel het heir des hemels." Zóó is ten minste de israölietische opvatting van het heidensche pantheon, die men in de Wet zoowel als in de geschiedboeken en bij de profeten terugvindt, en die overigens dooide nieuwere wetenschap veeleer bevestigd dan weersproken wordt. Deze laatste wil ook in Baal en Astarte zon en maan verpersoonlijkt zien48).

Eindelijk, om tot de tien geboden terug te komen, met betrekking tot het monotheïsme was het minder de vraag of de goden der heidenen als bestaande wezens, dan wel of zij als in godsdienstigen zin vereerenswaardige wezens moesten beschouwd worden. En daaromtrent gaf bij eenig nadenken ook de oorspronkelijke decaloog toch wel de noodige vingerwijzing.

In geheel zijn samenhang doet hij ons Jahwe kennen als den rechtvaardigen God, die niet enkel zijne eigen eer handhaaft, maar tevens het ouderlijk gezag in het huisgezin en al de natuurlijke rechten van den eenen mensch tegenover den ander: zijn leven, zijn huwelijksrecht, zijn stoffelijk eigendom, zijne eer en faam, — en als den heiligen God, die naast de zondige daad en het zondige woord, zelfs de inwendige begeerte, met die natuurrechten van den evenmensch in strijd, even beslist verbiedt en veroordeelt. Op allerlei gebied beschermt Hij het recht van den zwakke tegenover den sterke. Hij eischt eere tevens voor wien eere toekomt, in het achtste zoowel als in het vierde gebod. En zou Hij dan tegenover hoogere, bovenmenschelijke wezens minder gerecht en heilig zijn ? Zou hij de eer, aan die hoogere wezens gebracht, als een gruwel hebben verboden, — en dit zelfs nog vóór Hij in het tweede en derde

Sluiten