Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkracht, gewondt, gedood(." Altijd door luidde de doodsklok met dof gebrom boven ons volkje; en het scheen, alsof' het binnen enkele jaren met wortel en tak zou worden uitgeroeid.

Gelijk Israël in Egypte, zoo lag ons volkje in zijn bloed vertreden, en geen Europeesche mogendheid bekommerde zich om ons bijna doodgemarteld volk.

Maar terwijl geen oog zich onzer ontfermde, stond eindelijk de Potentaat der potentaten op, en trad aan de spits dergenen, die ons hulpe boden. Hij zond ook ons volk Zijn Mozes in den „Prince van Orangiën," den man des geloofs en des gebeds, die eerst een verbond met den Potentaat der potentaten maakte, voordat hij de zaak van ons volk tot de zijne maakte; maar die nu dan ook den toorn des konings van Spanje niet meer vreesde, en liever met het arme volk van Nederland de smaadheid van Christus wilde lijden, dan een tijdlang de genieting deizonde te hebben. En eer vergete onze rechterhand zichzelve, dan dat wij Nederlanders uit onze herinnering verliezen, wat wij aan dezen prins, als een instrument in Godes hand, te danken hebben; die zijn naam, zijn vermogen, zijn broeders, zijn zonen, en eindelijk zijn leven aan ons volk heeft gegeven, en wiens laatste woord, wiens laatste gebed, toen hij viel onder het moordend lood, aan ons volk gewijd was : „O God, wees mijn arme ziel en dit volk genadig !"

En gelijk in Israël weleer, zoo heeft God ook onder ons volk in dezen langen en bangen strijd de groote wonderen Zijner genade en macht willen verheerlijken. Hij heeft den ongelijken strijd van ons kleine volk tegen de geweldige Spaansche overmacht met de schoonste overwinning willen kronen. Hij heeft Spanje van groot klein, van rijk arm, ons volkje van klein groot, van arm rijk gemaakt. Hij heeft ons volk door een Roode zee van bloedig lijden, en door een brandende woestijn van bange beproeving in een Kanaiin van weelde gevoerd. Onze rijkdommen begonnen langzamerhand die der andere volken te overtreffen, en de goudmijnen waren in ons land niet onder, maar hoven den grond te vinden.

Sluiten