Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

probans voor de waarheid van den val aan te halen. In vroegere tijden was dit mogelijk. Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap gaat dit niet meer.

Een laatste bezwaar, dat zou kunnen worden genoemd, is, dat Gen. III zoo geheel geïsoleerd staat in het Oude Testament. Nergens wordt op Gen. III, als bevattende het verhaal van des menschen val, gezinspeeld. Het lijkt wel, als kende het Oude Testament deze gedachte niet.

Eerst in de literatuur van het Jodendom, in den tijd van verval dus, treedt de gedachte, dat Adam gevallen is en dat door dit feit de wereldgeschiedenis beheerscht wordt, op den voorgrond. Doch ook dan is de waardeering van deze gebeurtenis een andere dan die van de kerkleer. Immers wordt in de Joodsche apocalyptiek niet zoozeer op den val van Adam als op dien van den duivel en de Engelen de nadruk gelegd *).

Wat van nog meer beteekenis is, in het onderwijs van Jezus wordt van den val van Adam niet gerept; zoo meent men althans.

Eerst door Paulus is deze voor de Christelijke dogmatiek van zoo groote beteekenis geworden. Paulus, de Jood, de Rabbijn, heeft aan de Christelijke Kerk dit leerstuk geschonken, en de Christelijke Kerk zal wel doen, indien zij de nalatenschap van dezen apostel slechts onder benefice van inventaris aanvaardt. Zij mag dit doen, omdat zij in haar denken niet gebonden is aan de veronderstellingen, waarvan Paulus uitgaat, en in zijn dagen uitgaan moest.

Ziehier enkele der bezwaren, die tegen het leerstuk van den val des menschen kunnen worden ingebracht.

En al ben ik nu van oordeel, dat langs geheel andere banen, dan waarlangs deze bezwaren zich bewegen, het vraagstuk van den val moet worden aangevat, zoo wil ik toch, al was het slechts bij wijze van inleiding en ter

') Vgl. Boussot, Die Rcliijioii des Judenhmix, Berlin, l!MKi, S. , tffg. en S. 387 fgg.

Sluiten