Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geoorloofd is, goed te doen, of kwaad te doen, te behouden of te verderven (Luc. VI : 9).

Het tegenovergestelde van geloof is niet ongeloof, maar vrees.

Een vreemde zullen de schapen niet volgen, maar zij zullen van hem vlieden (Joh. X : 5).

Tegenover den goeden herder staat de dief. i)e dief komt niet, dan opdat hij slachte en stele en verderve, de goede herder is gekomen, opdat de schapen het eeuwige leven zouden hebben (Joh. X : 10).

Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, die zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot in het eeuwige leven (Joh. XII: 25).

Overal stuiten wij in deze uitspraken des Heeren op contrasten. Daar is wel geen twijfel aan, of Jezus heeft het contrast des zedelijken levens erkend en aanvaard. Zoo wordt het ethisch inzicht, dat wij op zedelijk, geestelijk leven met contrasten te doen hebben, door het woord van Jezus bevestigd, en is daarmede voor allen, die zijn autoriteit in dezen erkennen, buiten twijfel gesteld.

Op nog één eigenaardigheid van het menschelijk bestaan moet ik, voordat ik uit bovenstaande waardeering des zedelijken levens de conclusie trek, den nadruk leggen en wel op deze, dat de mensch een persoonlijk wezen is. Een mensch heeft een geconcentreerd bewustzijn. Zijn bewustzijn loopt uit in, of nog juister gaat uit van een middelpunt. Een mensch zegt „ik", heeft naar de diepzinnige uitspraak der H. S. een hart, van waaruit de uitgangen des levens zijn.

Dit „ik", dit eenheidsbewustzijn nu is niet kwantitatief van aard en kan daarom niet in deelen worden verdeeld. Het „ik" des menschen is transscendent, ons bewustzijn empirisch van aard. Omdat ons „ik" zich van zijn bestaan bewust wordt aan empirische toestanden, die als empirisch kwantitatief van aard zijn, heeft het bij oppervlakkige beschouwing den schijn, als ware het „ik" niet ondeelbaar. Dieper zelfbezinning zal evenwel duidelijk maken, dat het „ik" des menschen, als transscendent van aard, één en ondeelbaar is.

Sluiten