Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Adam en Eva reeds gemeld. Zy hadden de vrucht van den boom der kennis, d. i. van den boom des levens reeds genoten.

Om aan dit bezwaar te ontkomen, moet. E. allerlei veronderstellen, waartoe het verhaal niet de minste aanleiding geeft. „De mensch , zoo zegt hij, „had nog niet zelf van den levensboom genomen. Hij at, wat de vrouw hem gaf van hetgeen zij had genomen. Zoo nu echter de mensch zelf zich ging verzadigen met de vruchten van den boom, zou de levenskracht zoo sterk worden, dat hij onsterfelijk werd."

Men gevoelt, dat, waar Prof. E. om z\jn opvatting van Gen. III aannemelijk te maken, tot zulke redeneeringen zijn toevlucht nemen moet, zijn veronderstelling onjuist zijn moet.

Toch is er in zyn bezwaren tegen de traditioneele opvatting van Gen. III zooveel waars, dat men niet kan zeggen, dit hoofdstuk te hebben begrepen, indien men er geen recht aan heeft laten wedervaren.

Dit nu is, naar ik meen, mogelijk.

Ik ga daarbij uit van den boom der kennis des goeds en des kwaads. Deze en niet de boom des levens is hoofdzaak in Gen. III.

Nu kan, om hier mede te beginnen, het verbod om de vrucht van dezen boom te eten, in Gen. III niet bedoeld zijn als proefgebod, waardoor de mensch tot onderscheiding van goed en kwaad komen moest. De bezwaren zijn zoo overwegend, dat ik niet aarzel, dit standpunt voor onhoudbaar te verklaren.

In de eerste plaats bezat de mensch, voordat hij van den boom der kennis gegeten had, reeds zedelijk onderscheidingsvermogen. De mensch wist, wat geoorloofd en niet geoorloofd was. Zij mochten van allen boom in den hof eten , alleen van den boom der kennis niet.

Evenmin kan men aannemen, dat de mensch door gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid praktisch zou hebben leeren verstaan, wat goed en wat kwaad was.

In dat geval had de boom moeten heeten boom der kennis van goed óf kwaad. Wat niet het geval is. De boom wordt

Sluiten