Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede plaats bedenke men, dat de zonde, ook waar zij in beginsel de gemeenschap met God afgesneden heeft, zich daarom niet terstond in al hare schrikbarende gevolgen heeft geopenbaard.

En dit wel om tweeërlei reden, a) De mensch is niet enkel persoon, maar ook natuur. Ware de mensch niet dan persoon, ware zijn „ik" alles, bezat hij geen empirische levenssfeer, dan zou de zonde, zoodra zij zich had geopenbaard, met bliksemsnelheid geheel zijn wezen hebben doortrokken. In het transscendente is geen wording, geen uitbreiding, geen ruimte, geen tijd. Nu er evenwel een empirische levenssfeer is, kan de zonde zich slechts gaandeweg uit het hart des menschen naar den omtrek zijns wezens openbaren.

b) God heeft de openbaring der zonde door uitwendig bedwang tegengehouden. De zonde mag haar innerlijk wezen niet ontijdig openbaren. Er is een van buiten op den mensch inkomende werking Gods tot beteugeling van het kwade. In de Gereformeerde theologie heet deze actie Gods „gemeene gratie", ik zou liever in nauwere aansluiting aan het spraakgebruik der Schrift van „wet" willen spreken. ')

Wet is, naar Paulinisch spraakgebruik, in tegenstelling met Evangelie, een uitwendige beteugeling van het kwaad. Zij heeft allerlei vormen. De Staat, die de uitwendige openbaringen van het kwaad, waardoor de maatschappelijke orde zou worden verbroken, straft, is wet. De zede onder een bepaald volk, die zich in allerlei gewoonten doet gelden, is wet. Het zedelijk gevoel, dat ons zegt, wat verkeerd en geboden is, is wet.

Door deze wet wordt het kwade bedwongen, haar uitbarsting voorkomen.

Maar al is de zonde, door de overtreding van den eersten mensch in deze wereld ingekomen, nog niet onmiddellijk tot volle heerschappij over den mensch gekomen, dit doet niets

') Over <le beteekenis der wet in dit opzicht sclireef ik uitvoerig in de uitgaven der Paeilngogisihc Vereeniginy, Rotterdam, Bredée, N° XX.

Sluiten