Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af van het feit, dat de mensch sinds Adams val buiten God is komen te staan, en tot geen enkel wezenlijk goed werk in staat is, ja onophoudelijk het tegenovergestelde doet van wat God van hem eisc.ht.

Onze eigen zedelijke ervaring en de geschiedenis der menschheid bevestigen de juistheid van deze beschouwing.

Wanneer wij den mensch oppervlakkig beschouwen, ontdekken wij misschien nog allerlei goeds in den mensch, wanneer wij van de oppervlakte doordringen tot de motieven, die ons bij ons handelen drijven, zullen wij weldra tot de slotsom komen, dat al onze daden beslist verkeerd zijn.

Hoogmoed drijft ons tot het uitwendige goede werk. Achter al onze pogingen, om het kwade te laten, ligt hoogmoed verborgen.

Wanneer wij trachten het kwade te laten, spannen wij ons niet in, omdat wij het kwade haten, maar omdat wij het niet kunnen verdragen, dat wij het kwade doen. Pilatus wil Jezus niet veroordeelen, Herodes mag het wel doen. De hoofdzaak is voor Pilatus, dat hij niet onrechtvaardig zijn zal. Hij mag niet afvallen van het voetstuk, waar hij op staat. Indien werkelijk afkeer van het kwade ons dreef, zouden wij het betreuren, indien wij een ander zagen zondigen, doch in plaats van dit te betreuren, verheugen wij er ons over. Wij hooren gaarne het kwade van een ander vertellen, n.1. indien wij zelve niet in eenige rechtstreeksche betrekking tot dien persoon staan, in dat geval lijden wü zelf onder het kwaad gerucht, dat van onzen naaste verbreid wordt, en trachten wij het te vergoelijken of te bedekken.

Nauwelijks hebben wij iets goeds gedaan, of de ingenomenheid met ons zelve komt alles weer bederven.

Wij houden ons goed en groot, wij laten niets merken, wij prijzen zelfs onzen tegenstander luide, maar innerlijk worden wij door een schrikkelijke jaloerschheid verteerd, wanneer iemand, die zich op een zelfde levensterrein met ons beweegt ons in eenig opzicht overtreft.

Door cultuur is de vorm der zonde gewijzigd, maar is de

Sluiten