Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke in de Gereformeerde theologie hare klassieke uitdrukking gevonden heeft.

De eerste beschouwing wil niet van erfsehuld, maar alleen van erfzonde weten. De zonde, niet de schuld gaat van de ouders op de kinderen over. Dezen ontvangen van hun ouders de slechte eigenschappen, die dan weer den grondslag vormen van de slechte daden der kinderen. En zoo wordt er een algemeene zondige toestand geboren, waaraan allen hebben medegewerkt. In plaats van erfsehuld spreken zij daarom liever van algemeene schuld, „Gesammtschuld".

Hoe aanlokkelijk en eenvoudig bij oppervlakkige beschouwing deze oplossing van het probleem ook moge lyken, bij dieper nadenken blijkt zij geheel onhoudbaar te zijn.

In de eerste plaats wordt daardoor het raadsel van ons schuldgevoel niet verklaard. Schuldig zou bij deze opvatting een mensch slechts zijn, voor zoover hij meer kwaad gedaan heeft, dan hij met noodwendigheid doen moest op grond van overgeërfde verkeerde eigenschappen. En nu is juist dit het eigenaardige van ons schuldgevoel, dat wij ons niet schuldig gevoelen bij buitengewoon verkeerde daden, maar schuldig by al het verkeerde, dat wij doen. Zelfs aan het kwaad, dat wij onwetend hebben gedaan, verklaart ons geweten ons schuldig.

In de tweede plaats is deze leer individualistisch-Pelagiaansch. Zij beschouwt iederen mensch als een afzonderlijk wezen. Van een principieele radicale scheiding des menschen van God door de eerste zonde, waardoor de menschheid uit Gods gemeenschap uitgevallen is, wil zij niet weten. Zij neemt daarom aan, dat ieder mensch eenig goed kan doen, indien hij wil. Tot alle kwaad geneigd is een zondaar in geen geval. Van een non posse non peccare is hier geen sprake. 1 sychologisch moet men op dit standpunt komen tot het creatianisme, dat uitgaat van een dualisme van ziel en lichaam, dat met alle ervaring in strijd is. Scheiding van geest en stof is de veronderstelling van de leer der erfzonde.

In de dei de plaats vervalt men hier onwillekeurig in

Sluiten