Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat toch zegt de historie onzer eeuw omtrent het Calvinisme ? Zij zegt ons, dat het Calvinisme in ons land weder tot krachtige ontwaking is gekomen.

Het was ingesluimerd. Het was van het publieke erf geheel afgedrongen. Het was als een nachtschool in een hoek gedrongen. Vooral in de eerste helft dezer eeuw sleepte het een kwijnend bestaan voort. En wel leefde het nog onder de „grijnen en letterzetters" te Leiden, onder «de Hyltjens" van Kattenburg te Amsterdam, onder de menschen van achter ,/het klooster" te Rotterdam, onder de zoogenaamde /,potvisschers" of kleine schuitevoerders en onder de Veluwer boertjes; maar het was zelfs in de kerk geheel en al overvleugeld. 1) En in het kamp van den vijand klonk het lied dat Him>ermjk hem in den mond lei:

»Qelijfstaflierd met maandbladschrijvers,

Doorblaakt van 't vuur «les helde nijver*,

Vervolgen wij die stijve drijvers Van 't oude licht !"

In de groote beweging der Afscheiding leefde het Calvinisme in de kerk weer krachtig op. In Groen vax Prixsterer vond het een krachtigen pleitbezorger op wetenschappelijk en politiek terrein. Maar Groen, de veldheer, die een leger waard was, was een veldheer nagenoeg zonder leger. Zijn werken, meer academische verhandelingen dan populaire geschriften, werden door het volk weinig gelezen, door de aanzienlijken niet genoeg gewaardeerd. Als eenmaal een Ei-ia stond Groen nagenoeg alleen in zijn strijd tegen den geest der eeuw. Het waren slechts enkele duizenden, die hem begrepen en volgden. Op publiek terrein oefende het Calvinisme weinig kracht uit. Als godsdienstig-wijsgeerig stelsel bleef het sluimeren.

In I)k. Kuyper verscheen daarop echter de prins, die de schoone slaapster heeft gewekt. In hem heeft de Heere aan ons volk den „petit Cai.vix" gegeven, die het Calvinisme eerst doorleefde, daarna bestudeerde, en het eindelijk op alle gebied des levens in ons land weer tot eere bracht. Met zijn optreden heeft het Calvinisme zich in Kerk en School, in Staat en Maatschappij, in Vereeniging en Pers

1) Zie ISildkiuhjk, Itricven IV, 218,

Sluiten