Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den Staat daarentegen komt toe de zorg voor den gemeenschapstoestand.

„De grondslag van den Staat is de behoefte om samen te leven, dus die behoefte tevens de grens van zijn werkkring en mag de Staat zich slechts inlaten met datgene wat alleen door het gezamenlijk optreden van allen bereikbaar is." 14)

Dit beginsel, als maatstaf aangelegd, voorziet inderdaad in al die gevallen, waariu niemand het recht van den Staat om dwingend £ op te treden, betwijfelt en toch is het niet zoo rekbaar, dat het het zoogenaamde „opgaan" van het individu in den Staat, gelijk dat door Rousseau geëischt werd, zou rechtvaardigen.

Dit beginsel verdient ook stellig de voorkeur boven een mechanische indeeling van het menschenleven in compartimenten, zoodat de Staat tot het eene compartiment toegang zou hebben, tot het andere niet.

Als zulke compartimenten zou men kunnen noemen: de zorg voor rechtszekerheid en veiligheid, voor materieele welvaart, voor beschaving en ontwikkeling, voor zedelijkheid en godsdienst. Tot sommige van die vakken werd dan den Staat de toegang streng verboden.

Zulke bordjes ex art. 461 W. v. Sr. zijn in de 19e eeuw bijv. geplaatst voor het gebied van den godsdienst, vervolgens voor dat van de kunst, daarna zelfs voor het gebied der industrie en dat van den handel

Zulk een indeeling blijft echter altijd kunstmatig. De vraag is niet op welk speciaal gebied de staat al of niet mag binnen treden, maar hoe ver hij binnentreden mag in het menschelijke leven, onverschillig op welk gebied zich dat beweegt.

Het probleem ligt in de mate en den aard der staatsbemoeiing; rubrieken van staatsbemoeiing en staatsonthouding laten zich niet aanwijzen.

Sluiten