Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel het karakter van eene vakvereeniging aan, in 1901 werd opgericht de Bond van arbeiders in de Kledingindustrie enz.

De bestaande bonden namen toe in innerlijke kracht; vak-actie werd meer of minder stelselmatig allerwegen gevoerd, waarbij de vakgenooten begonnen te steunen op de macht van den nationalen bond. Het was duidelijk, dat, wanneer de christelijke vakbeweging gesloten bleef in het enge keurslijf van de volslagen afhankelijke, eigen leven missende vakafdeeüngen, zij niet in staat zou zijn haar taak — de christelijke arbeiders te houden buiten den invloedssfeer der klasse-bewuste arbeiders beweging — te vervullen. De geestelijkheid en de leiders der kerkelijke partyen zagen zich voor de noodzakelijkheid geplaatst in steeds meerdere vakken de christelijke vakarbeiders, die wel „den revolutiegeest" wilden bestrijden maar hunne vereenigingen toch ook wilden benutten om eenige verbetering te brengen in hunne ellendige arbeidsvoorwaarden, te helpen, christelijke vakbonden tot stand te brengen. De heeren waren zich wel bewust van het gevaar, dat voor de toekomst in de oprichting van christelijke vak-bonden school, waarover straks nader; maar zij waren gedwongen te kiezen tusschen twee kwaden en kozen, natuurlijk, het kleinste kwaad.

Echter werd van stonden af getracht het kwaad binnen de engst mogelijke perken te houden. De christelijke vakbeweging werd bevorderd waar en voorzooverre het gevaar dreigde, dat de klasse-bewuste vakbeweging ingang zou vinden of terrein zou winnen. Onomwonden wordt tot den huidigen dag toe verklaard, dat haar eigenlijk doel niet is, de arbeidersklasse opteheffen uit den staat van ellende en vernedering, waarin zij leeft, maar om het „voortwoekerende" socialisme te keeren. Nog begin November 1908 schreef het Centrum: Het valt op dat hier (in een adres van de Federatie van christelijke Rijks werklieden vereenigingen gericht aan den Minister van Oorlog) slechts twee katholieke Rijkswerklieden vereenigingen worden genoemd. Bestaan er op andere plaatsen geen katholieke organisaties van dien naam? Op de nationale kiesrechtbetooging der S. D. A. P. in den Haag, waren ook Rijks werklieden vereenigingen officieel vertegenwoordigd, waaronder Amsterdam en Breda. Zou het op deze plaatsen niet hoog tijd worden, dat er katholieke vereenigingen van deze categorie van werklieden worden opgericht!" — (Curs. van ons. v. d. T.)

In de jaren 1894 — 1896 ontstonden verschillende diocesane vak- of gildenbonden in het bisdom Haarlem en in het aartsbisdom Utrecht, waarvan de samenstellende deelen in den regel vak- of onderafdeelingen waren van den Nederl. R. K. Volksbond in het bisdom Haarlem en van den Bond van R. K. Werkliedenvereenigingen in het aartsbisdom Utrecht. Deze beweging beperkte zich, zooals men ziet, tot de provinciën waarin het protestantsche element overwegend is; in de kathoiieke zuidelijke provinciën liet de poel van sociale ongerechtigheden de geestelijkheid onberoerd; daar leverde de klasse-bewuste vakbeweging nog geen oogenblikkelijk gevaar op.

Deze diocesane vak- of gildenbonden gingen allen weer teniet. Het was ook wat veel gevergd met toewijding te werken voor vereenigingen, die in het beste geval als een noodzakelijk kwaad werden beschouwd. Maar de socialistische vakbeweging breidde zich steeds verder uit, het gevaar moest gekeerd.

Opgericht werden o a. in 1894 het R. K. Secretariaat voor BroodKoek- en Banketbakkers, Cacao- Chocolade- en Suikerbewerkers, in 1896 de Christ. Textielarbeidersbond Unitas, in 1899 de Christ. Bond van Sigarenen Tabakbewerkers, in 1900 de R. K. Tabakbewerkersbond en de R. K. Typografenbond, in 1901 de Prot. Christ. Bond van IJzer- en Metaalbewerkers, de Christ. Bond van Timmerlieden, en de Prot. Christ. Bond van

Sluiten