Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijke redeneering, alleen door goddelijke kracht overtuigd. Niet overtuigen, slechts yetuigcn kan de mensch. Jtaarom spreekt men dan ook van de belijdenis des geloofs. Calvijn zeide het zeer plastisch dat de allerverstandigsten onder de nienschen ten opzichte van de bijzondere Openbaring Gods in Zijn Woord „blinder dan de mollen" zijn. Daarmede tweeërlei uitsprekende, ten le dat dit ongeloof aan hun verstand, knapheid, geleerdheid niets af en toedoet, zoodat ze toch allerverstandigsten genoemd worden, en ten 2e dat er een zeker gebied is waar hun geloofsovertuiging zich niet op richten kan, dat er een zeker licht is, hetwelk zij niet vermogen te aanschouwen. 1)

En dit is het ook wat Gods Woord ons zegt, bij het gesprek van den Heiland met Nicodemus: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. (Joh. 3 :3).

1) Professor WoLTJER vertaalt in zjjn »De Wetenschap van den Logos" op pag. 38, 3!) dit citaat, in zjjn geheel genomen, aldus:

>>Nu moeten wij verklaren wat de nienscheljjke rede vermag te onderscheiden, wanneer het komt tot Gods rijk en dat geesteljjke doorzicht, dat voornamelijk in drie dingen bestaat, te weten: in de kennisse Gods, in Zjjn Vaderljjke gunst t' ons waart, waarin de zaligheid bestaat, en in de schikking van ons leven naar den regel der wet. Zoowel in de eerste twee als in 't Ijjzonder in het tweede zjjn de allerverstandigsten onder de nienschen blinder dan de mollen. Ik ontken niet, dat er hier en daar sommige dingen bij de philosophen gelezen worden over God, die verstandig cn geschikt zjjn, maar men speurt er altjjd eene zekere onheldere, duizelige voorstelling in. üe Heer heeft hun wel, gelijk boven gezegd is, gegeven een kleine smaak van zjjne godheid, opdat zjj hunne goddeloosheid niet met den dekmantel der onwetendheid zouden bedekken, en Hjj heeft hen somtijds aangedreven om sommige dingen te spreken, door wier erkenning zjj zeiven van schuld mochten worden overtuigd; maar zjj hebben die dingen, die zjj zagen alzoo gezien, dat zjj door zoodanig aanschouwen geenszins tot de waarheid gericht worden, laat staan, dat zjj daartoe geraakt zouden zjjn. Evenals een wandelaar, die midden op het veld is, de flikkering van het weerlicht in den nacht voor een oogenblik heinde en ver ziet, maar zoo «nel en zwak, dat hij wederom door de donkerheid van den nacht verzwolgen wordt, eer hjj een voet verzetten kan; zoo verre is het er van af, dat hjj door zoodanige hulp op zijnen weg geleid zou worden".

Sluiten