Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De natuurlijke Godskennisse is er dus zeer zeker, ook bij den natuurlijken mensch, maar bij hem leidt ze nooit tot kennis der zuivere waarheid. De sprake Gods wordt hier als door een doove beluisterd die het telkens mis verstaat. Evenwel is ze altoos zoo genoegzaam dat de mensch niet te verontschuldigen is. Daarom staat er geschreven: Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is: want God heeft het hun geopenbaard. Want zijne onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. (Rom. 1:19-21).

Het is innerlijk genade Gods als Hij ons weer bekwaam maakt Zijne Openbaring in de werken Zijner handen te aanschouwen, als Hij ons Zijn woord in het boek der schepping weer met juistheid te lezen geeft.

En daarbij verricht de H. Schrift onschatbare diensten als correctief. Zoo genomen echter mag de H. Schrift niet als bovennatuurlijke tegenover de natuurlijke Openbaring gesteld worden, dan alleen in zooverre dat het bovennatuurlijke genade is dat de H. Schrift ons geschonken werd. Maar als correctief openbaart zij niets fcommatuurlijks maar geeft alleen het juiste inzicht in het natuurlijke. Doch de H. Schrift is niet alleen correctief, zij is ook supplement,, en als supplement openbaart zij wat de orde der Natuur te boven gaat, wat uit de Natuur, zelfs in den staat der rechtheid nooit had kunnen gekend worden, in één woord al het bommatuurlijke. Dat supplement brengt ons de openbaring van Gods barmhartigheid en genade voor den zondaar, in den Zoon van Zijn eeuwig welbehagen en Zijner teederste liefde. Dat supplement predikt ons het zaligmakend Evangelie.

Alzoo eeren wij de H. Schrift als een correctief voor de

Sluiten