Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijksoortige bepalingen der Grondwet van 1814 verklarende, erkende zich bij een besluit van 16 Mei 1814 alleenlijk bevoegd tot schikkingen van een fïnancieëlen aard. — Doch hier had spoedig dat ter zijde stellen, dat weder terug nemen plaats, waardoor de liberale praktijk in haar fraaiklinkende theorie naar goedvinden wijziging brengt.

Kn hier ben ik genoodzaakt weder van het onderwijs te spreken; niet, ik herhaal het, om het goede waardoor het zich onderscheidt, te ontkennen of in twijfel te trekken; maar om te doen opmerken, dat het stelsel het welk ook ten dien opzigte aangenomen is, aan de regten en belangen der Christelijke, in 't bijzonder der GereformeerdeKerk te kort heeft gedaan.

Het onderwijs werd niet slechts een aanhoudend voorwerp van de zorg der Regering; zij bragt het onder haar beheer. Vroeger was het steeds onder het toezicht en de leiding der Kerk; doch dit kon thans, dacht men, niet meer; men vreesde voor de onderscheidene Gezindheden eigene scholen te zien stichten; dit zou velerlei zwarigheden hebben. Gelijk de Staat, zóó kon, zóó moest, meende men, ook het onderwijs van de Kerk worden gescheiden, gescheurd; en, gelijk door zamensmelting der nationale verscheidenheden eenheid in den Staat, zoo werd eenheid van Godsdienstig onderwijs op de school door zamensmelting der geloofsverscheiden-

heden gezocht.

Hoedanig onderwijs moest hieruit ontstaan ? Een onderwijs regtstreeks tegen alle Gezindheden, althans tegen alle Christelijke Gezindheden gerigt. — De wet van 1806 werd bij voortduring ten grondslag gelegd, derhalve het leerstellig onderwijs in de Godsdienst van de school gebannen; niets toegelaten dan hetgeen, zeide men, algemeen zedelijk is. Niet geheel ten onregte misschien, zoo men hiermede had bedoeld het uitsluiten van theologische spitsvindigheden, het inscherpen van hetgeen in elke Christelijke Kerk de grondslag der belijdenis en steeds het ware vereenigingspunt der Christenen was. Maar neen, dit is de bedoeling niet. De aard van dit algemeen Christelijk onderricht is nog onlangs door een zijner ijverigste en meest achtingwaardige voorstanders, naïf inderdaad, gekarakterizeerd, door aan den Hr. Cousin, toen deze Haarlem bezocht, te zeggen dat het onderwijs voorzeker algemeen (christelijk, doch voorniemand, zelfs niet voor de Joden, aanstootelijk moet zijn. Een

Sluiten