Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den grondslag van het onderwijs en de ziel der opvoeding, slechts een op zich zelf staand gedeelte van het onderrigt ziet; hetwelk aan de deskundigen, de leeraars der gezindheden, overgelaten en voegzaam in één uur 's weeks afgedaan wordt.

Het onderwijs dus is de tweede hoofdzaak waarin de strekking der in 1815 en later heerschende begrippen zich, ten nadeele ook van de Gereformeerde Kerk, heeft geopenbaard. — Doch wat is er, in andere opzichten, van de onafhankelijkheid der Kerk, van haar eigen, zelfstandig bestaan geworden ? Dit had in de tijden van het Gemeenebest, bij velerlei aanranding, steeds de overhand behouden; de aanmatiging van heerschzuchtige magistraten is, evenzeer als de bescherming door het Huis van Oranje, bekend. Na de invoering der Grondwet moest op de eerbiediging van de onafhankelijkheid der Kerk dubbele prijs worden gesteld: want, sedert de Hervormde Kerkgemeenschap van allen voorrang was beroofd, had zij van de blijvende welwillendheid der gezagvoerders geenerlei waarborgen meer; geenerlei, behalve de persoonlijke gevoelens van den Vorst, een tijdelijk voorregt dat, ofschoon men het dankbaar erkent, bij de duurzame regeling der aangelegenheden van Kerk en Staat niet in aanmerking komt. Dit verlangen naar zelfstandigheid was te meer billijk om de gelijke bescherming die aan de bestaande Gezindheden toegezegd was; zoodat de Gereformeerde Kerk, na het verlies van al wat naar heerschappij geleek, toch even vrij als, bij voorbeeld, de Roomsch-Catholijke moest zijn. Eindelijk mogt de Grondwet, die ruimschoots de noodige magt tegen alle aanmatiging der Geestelijkheid, tegen eiken inbreuk op het wereldlijk gezag, had verleend, gerekend worden de regten der overheid binnen de grenzen eener onvermijdelijke tusschenkomst te hebben beperkt.

Deze verwachting, hoe welgegrond, is bij de uitkomst ijdel geweest. En de oorzaak er van? Alweder de invloed van dezelfde alles overmeesterende, allesdoordringende theorie. Deze toch beschouwt en behandelt de Kerk als eene maatschappelijke inrichting, in den Staat en onder het Bestuur: als een element dat moet worden geutiliseerd; als een werktuig dat zeer nuttig en ook zeer schadelijk kan zijn, en

Sluiten