Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er van was het bekende antwoord van den CommissarisGeneraal voor de zaken der Hervormde Kerk op de bezwaren der Classis van Amsterdam; een stuk waarin de scherpheid van uitdrukking duidelijk deed kennen dat men het betoog der Classis, hoe bescheiden en omzigtig gesteld, hoe ook met betuiging en blijken van ontzag en gehechtheid doormengd, op het zachtst genomen, voor eene zeer vreemde en in het geheel niet navolgenswaardige aanmatiging hield.

Men voege hierbij het verlangen naar rust en eendracht, loffelijk voorzeker, doch waaraan ook toen, gelijk menigmaal, wat nooit mag ten offer worden gebragt, gedeeltelijk althans, prijs gegeven werd. Evenwel ook dit is ongenoegzaam om het lijdelijk toezien te verklaren bij de strekking tot alverdraagzaamheid, door het Synode niet slechts in eene dubbelzinnige periode verborgen, maar op velerlei wijs geopenbaard. De volkomene oplossing ligt hierin alleen dat er, ten aanzien der hoofdwaarheden van het Evangelie, algemeene onverschilligheid bestond. Ik erken gaarne dat Nederland van de openlijke uitspattingen der ongodisterij meer dan onze naburen vrij is gebleven, doch tevens moet ik, ofschoon ongaarne, erkennen, dat men des te meer gewoon was in de vereeniging van Evangelisch geloof en nieuw filozofische verlichting, ten koste van het eerste, behagen te scheppen. Ik erken gaarne dat er in 1813 en reeds vroeger, ook hier te lande, eene Godsdienstige terugwerking is geweest; doch ik moet tevens hoewel het mij leed doet, belijden dat het geene terugkeering tot eenvoudige Bijbelwaarheid, dat het eene strekking naar dat zelfde algemeen-Christelijke en algemeen-zedelijke was hetwelk, terwijl ieder stellig en bepaald leerbegrip ter zijde geschoven werd, aan zoo vele onzer geroemde en toegejuichte instellingen ten grondslag is gelegd. Dat er slechts ééne bron van ware Godsvrucht en zedelijkheid is, dat buiten Christus God niet wordt gekend, dat er niet meer dan één weg ter zaligheid brengt, hieraan dacht, hieraan geloofde menigeen niet. Op velerlei wijs kon, meende hij, God worden gediend; een braaf en nuttig lid der zamenleving te zijn, daar kwam het op aan; ongerijmd was het de aanneming van eenig stelsel van Godgeleerdheid (ook de Bijbelleer in haar meeste eenvoudigheid werd alzóó genoemd) tot voorwaarde van echte zucht naar het goede en van opleiding voor een beter leven te stellen. Door deze en dergelijke

Sluiten