Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om een Evangelische Geloofsbelijdenis boven de willekeur der Predikanten tegenover velerlei soort van dwaalbegrippen te stellen. Niet om aan het Synode eene houding voor te schrijven die het, na het gebeurde, niet, althans niet plotseling, aannemen kon ; maar om ten minste een openlijk getuigenis te verkrijgen dat, naar het inzien der hoogste Kerkvergadering, de Kerk geen gemeenschappelijk erf van waarheid en dwaling was geworden; geene verblijfplaats voor allen, waaruit, wel is waar, de Hervormde leer niet gebannen, doch waarin zij, nevens alle andere begrippen en behoudens wederkeerige verdraagzaamheid, wordt geduld.

En wanneer nu wordt gevraagd wat ter bevrediging dezer billijke en met bescheidenheid voorgedragene wenschen, wat er tot wegneming, of althans tot verzachting, tot vermindering dezer grieven is gedaan, wat is het antwoord? Niets is er gedaan, niets hoegenaamd ; noch door het Synode, noch door het Gouvernement.

Het Synode heeft geen maatregel ter bevrediging beproefd. Het heeft zich aan het stelsel van stilzwijgen, van oogluiken, ook wanneer de Christelijke waarheid met voeten getreden wordt, slechts te vaster geklemd. Sommige Adressen heeft het onbeantwoord gelaten; andere, ook van de meest achtbare mannen, afgewezen uit de hoogte; meermalen op een' toon die, nu eens naar smaad en verguizing, dan weder naar bespotting geleek. Als een voorbeeld van het laatste strekke het antwoord op bovengemeld adres van een twintigtal Predikanten; het Synode verklaart geene uitlegging overeenkomstig het verlangen der onderscheidene adressanten, dat is, ook van hen die geheele ter zijdestelling der Formulieren hadden gevraagd, te kunnen ontwerpen; als of een regter weigerde vonnis te vellen — waarom ? Dewijl door het vonnis niet alle partijen te vrede zouden worden gesteld.

Geene meerdere opbeuring van de Adressanten bij het wereldlijk gezag. Doch hoe! Neem ik hier, in het belang van sommigen, terug hetgeen ik zelfs omtrent de onafhankelijkheid der Kerk heb op den voorgrond gesteld ? Geenszins voorzeker is dit mijne bedoeling. Maar ik erken desniettemin de mogelijkheid eener regtmatige tusschenkomst van het Gouvernement: niet om te oordeelen over de leer, wel om, bij hooggaanden twist, te bepalen dat in eene Kerk zij die de handhaving wenschen der leer van die Kerk, al

Sluiten