Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweeledig is de grond waarop de veroordeeling van de Afgescheidenen, als van leden eener nieuwe Gezindheid, wordt gebouwd : Art. 291 van het Wetboek van Strafrecht en het woord bestaande in Art. 191 der Grondwet. Geene associatie zonder toestemming der Regering ; geene bescherming dan aan Gezindheden die in 1815 bestonden of later erkend zijn geworden.

Art. 291 kan, noch naar de letter der wet, noch zoo men op den geest des wetgevers acht slaat, toepasselijk zijn. Gemeenschappelijke Godsdienstoefening is geene associatie, en het doel der Napoleontische wetsbepaling is blijkbaar geweest, niet het belemmeren van de Godsdienst, maar het beletten van elke zamenspanning van politieken aard, welke gedaante zij ook aangenomen mogt hebben. Daarenboven Art. 291 is door de Grondwet, indien deze vrijheid van Godsdienstoefening toekent, vervallen. Het beroep op het tweede der additionele artikelen bewijst te veel. Door zoodanige uitlegging zou een aantal onzer dierbaarste vrijheden weggenomen kunnen worden ; qui nimis probat, nihil piobat.

En nu de Grondwet; wat heeft deze bepaald, en welke zin moet aan de uitdrukking bestaande Gezindheden worden gehecht?

Hier geloof ik op eene eenvoudige onderscheiding te mogen drukken, welke mij voorkomt duidelijk en beslissend te zijn, en evenwel, bij hetgeen in de laatste jaren over dit onderwerp is geschreven, zelden in het oog te zijn gehouden.

Men kwelt zich met allerlei uitlegging van het woord bestaande, en in zeker opzigt niet ten onregte, dewijl men inziet dat de wetgever onmogelijk eene noodelooze en hatelijke beperking der vrijheid van Godsdienst kan hebben ere wild. Doch men late de eenvoudige beteekenis aan het woord, en lette slechts op de plaats waar het zich bevindt, namelijk in Art. 191. Dit, gelijk mede Art. 194 en 195, heeft uitsluitend betrekking op de Gezindheden welke bestonden toen de Grondwet afgekondigd werd; en heeft ten waarborge moeten strekken, geenszins tegen belemmering van Godsdienst, want daarvoor werd in andere artikels gezorgd, maar tegen den mogelijken voorrang van eentge, bepaaldelijk van de oudtijds heerschende Gereformeerde er t.

Sluiten