Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe ver hij die algemeene en bijzondere vrijheid door een driejarig stilzwijgen, al dan niet, heeft bewaard en beschermd. Ik althans wensch mij van die beslissing te onthouden; de achting die ik aan de leden toedraag, noodzaakt mij te onderstellen dat zij dezen eed in een' anderen zin dan dien ik meenen zou er aan te moeten geven, opgevat hebben; ik zeg dit alleen: bij zoodanige ervaring was er, naar mij voorkomt, geen genoegzame grond om zich van den Koning naar de Tweede Kamer te rigten.

De Christen houdt in Nederland het oog op het Huis van Oranje gerigt. Dit gevoel zou bijgeloof kunnen worden, zoo men uit de gedachte verloor dat God, die Stamhuizen vernedert, gelijk Hij ze verheft, zich aan geene middelen bindt; maar niet, wanneer men slechts dankbaar erkent wat God door dit geslacht tot heil onzer vaderen heeft gewerkt; wanneer men slechts vrijmoedig beweert dat het, meer dan eenig ander, door verloochening van het Evangelie, zijne bestemming verloochenen zou; wanneer men slechts opregtelijk en ootmoedig wenscht dat het, gelijk bij het voorgeslacht, zoo ook in de toekomst, tot de meest hechte zuil van Godsdienst en vrijheid, bepaaldelijk ook van Godsdienstvrijheid, worde gesteld.

Doch waarom gesproken van dit Stamhuis in 't algemeen 1 Wij houden het oog gerigt op den Vorst die ons regeert. De bevreemding dat hetgeen waarover men zich beklaagt, onder dezen Koning gebeurt, die bevreemding zelve is eene regtmatige hulde aan zijn karakter. Geene vleijerij, maar ook geene miskenning; ik wensch, waar het de hooge bebelangen des Vaderlands geldt, altijd vrijmoedig, nooit ondankbaar te zijn. Ik weet dat, waar geene Ministeriële verantwoordelijkheid bestaat, de Vorst eindelijk wordt gerekend hetgeen lang openlijk en zonder stoornis geschiedt, persoonlijk goedgekeurd te hebben. Doch, ik voeg er bij, kon het anders? waar de hooge ambtenaren vooringenomenheid aan den dag hebben gelegd; waar de hoogste Kerkvergadering, met aandrang, de hulp inriep van het Bestuur; waar de ligchamen die zich in zekeren zin als bewaarders der Grondwet beschouwen, door lijdelijkheid hun zegel aan hetgeen plaats had, schenen te hechten; waar het Algemeen de meest verregaande onverschilligheid betoonde, en waar zooveel heeft zamengewerkt om op eenvoudige Evangelie-

Sluiten