Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vruchten van dien arbeid heeft hij nedergelegd in zijne geschriften van dien tijd. Met den aanvang van het jaar 1849 trad hij op in de Tweede Kamer en reeds op 15 Mei van dat jaar greep hij de gelegenheid aan om op te komen voor het grondwettig recht van Verecniging en Vergadering, een recht behoorende bij de gewetensvrijheid.

RECHT VAN VEREENIGING EN VERGADERING.

De Staatsregeling van 1798 bevatte de navolgende twee artikelen, welke in haar stelsel van groote beteekenis waren, en daarom zonder verkorting moeten worden medegedeeld.

„Art. 18. Ieder Burger heeft regt, om met zijne Medeburgers te vergaderen, ter onderlinge vóórlichting, ter opwekking van vaderlands-liefde, en ter naauwer verbindtenis aan de Staatsregeling, zonder dat, nogthands de Constitutioneele Gezelschappen, als zoodanigen, met eikanderen over Staats-zaken briefwisseling houden, geschreven aanklagten ontvangen, bij stemming besluiten, of, bij wijze van Corporatie, eenige openbaare daad zullen verrigten.

„Art. 19. Elk Burger heeft vrijheid, om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent, ten dezen opzigte, aan allen gelijke zekerheid en bescherming; mids de openbaare orde, door de Wet gevestigd, door hunnen uiterlijken eerdienst nimmer gestoord worde".

De erkenning van „het recht van verecniging en vergadering", in Art. 18 uitgedrukt, verdwijnt weldra en de Staatsregeling van 1801 noemt het niet. In de plaats van Art. 19 komt in 1801 het volgende.

„Art. II. Alle Kerkgenootschappen, welke ter bevordering van deugd en goede zeden een Hoogste Wezen eerbiedigen en hulde doen, genieten eene gelijke bescherming der Wetten. Ieder Kerkgenootschap belydt zyne gevoelens openlyk, en vergunt aan een iegelyk den vryen toegang tot zijne Byeenkomsten".

Noch in de Grondwet van 1814, noch in die van 1815, wordt het recht van vereeniging en vergadering genoemd.

Sluiten