Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nachten hebben ze bij hem gezeten, weenende met groot misbaar, doch niets tot hem zeggende. En dit zwijgen kwam hieruit voort, dat ze zagen hoe de smart zeer groot was. Waar we nu den geest dezer mannen kennen uit hunne redenen die volgen, daar mogen we 't wel voor waarschijnlijk houden, dat ze reeds in die zeven dagen door hunne blikken en gebaren hebben uitgesproken wat ze in hun hart van Job dachten. In elk geval, het aanhoudend misbaar zonder een woord van vertroosting moest wel eenen wijze dol maken. Zoo komt Job, waarschijnlijk onder toenemende pijnen, er toe zijnen dag te vervloeken met de woorden, die we lezen in de eerste poëtische rede van dit boek, in Cap. 3.

Eene volledige proeve van vertaling der dichterlijke stukken te geven ligt buiten het bestek dezer studie. Ik waag het slechts hier en daar een paar regels weer te geven, voornamelijk zulke, waarin de hoofdpunten der zielsgeschiedenis van Job hare uitdrukking vinden.

In Cap. 3 dan is Job aangekomen op 't laagste standpunt waar we hem ooit aantreffen. Van een woord des lofs is geene sprake meer, en evenmin van een woord der berusting of der geloofsovertuiging. Wel noemt Job in dit hoofdstuk nog den naam van God, maar nergens als zijnen God. En waar zoo de taal des geloofs geweken is, daar vernemen we de taal des bijgeloofs in vers 8 :

Vervloeken mogen hem de dagvervloekers,

Die vaardig staan tot 't wekken van de slang.

In de Assyrisch-Babylonische litteratuur vindt men tal van kleitafeltjes, waarin door wichelaars wordt aangewezen welke dagen als gunstig zijn te beschouwen en welke als ongunstig. Dat deze mantiek in den kring van Job niet onbekend was, blijkt uit het aangehaalde vers. Hij wenscht dat de dag zijner geboorte als ongeluksdag worde geteekend door zulke wichelaars, die tevens met slangenbezwering omgaan. De vertaling

Sluiten