Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat staan dan, dat ik Hem het antwoord zou geven, [Met zorg] mijne redenen kiezend bij- Hem.

Waar 'k — had ik gelijk — nog geen antwoord kon geven, Daar [bid] ik mijn' Rechter [en] smeek om gena.

Maar nu volgt er een plotselinge, schier onverklaarbare teruggang. Want onmiddellijk op deze woorden laat Job volgen:

Zóó ik al riep, en Hij my antwoord gaf —

Toch geloofde ik niet, dat Hij mijn stemme nam ter ooren, Hij, die mij door een' stormwind nedersmijt, Vermenigvuldigt mijne wonden zonder oorzaak, — Hij schenkt toch geen veraad'ming aan mijn geest,

Daar Hij met bitterheden mij verzadigt.

Hoe is het mogelijk, moeten we hier vragen, dat op zoo nederige geloofstaal plotseling zoo roekelooze ongeloofsuiting kan volgen ?

liet antwoord hierop is in. i. te vinden door vergelijking van cap. 4 : 17 niet eap. 9 : 2. Elifaz heeft liet Godswoord uitgesproken :

Zou een mensch rechtvaardiger zijn dan God ? Een man reiner dan zijn Maker?

en met terugslag hierop heeft Job gezegd :

Voorwaar, ik weet dat [dit] zoo is,

Hoe zou een mensch rechtvaardig zijn bij God?

Nu springt het terstond in het oog, dat Job wel de eerste helft van 't Godswoord overneemt, maar niet de tweede, hn dit is van t hoogste belang. Want de eenheid in een Hebreeuwse!» parallelisme is geene eenerleiheid. loen de engel tot Elitaz sprak, stelde hij eerst den mensch tegenover God, tegenover den

zwakke tegenover den absoluut sterke. Daar is dus de verhouding tusschen God en mensch zuiver metaphysisch opgevat. Doch nu wordt ook terstond de man gesteld tegenover zijn' Maker, tegenover my, d. w. z. de mensch, niet in zijne zwakheid, maar in zijne betrek-

Sluiten