Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelijkc kracht, tegen Hem, die de bron en fontein is van alle krachten. Hier treedt dus de ethische verhouding tusschen God en mensch meer naar voren. Waar nu .Job wel het eerste beaamt, maar niet het tweede, daar moet hij noodwendig tot eene struikeling komen. Van die struikeling geeft hij onbewust zelf de verklaring, wanneer hij cap. 9:19 spreekt:

Als ['t gaat] om kracht, — zie! Hjj is sterk!

Als ['t gaat] om recht, — wie dagvaardt mij ?

Job erkent hier wel de nietaphysische, maar niet de ethische volmaaktheid Gods. Daar is in zijn godsbegrip in dit stadium iets van den tvran, wien men tegen alle rede in wel gelijk moet geven. Dat is ook te proeven uit vers 20 enz. waar hij aldus voortgaat:

Ben ik rechtvaardig van mond, — Hij noemt mij toch goddeloos ;

Ben ik oprecht, — Hij rekent my toch als verkeerde;

Ben ik oprecht, — toch misken ik mijn ziel, toch veracht

[ik mijn leven;

Eenerlei is het, dies heb ik gezegd:

Oprecht en godloos brengt Hij [samen] ten einde.

Dat Job op zoo droevige wijze de ethische zijde van Gods volmaaktheden voorbijziet, is zeker voor een niet gering deel te verklaren uit reactie tegen het eenzijdig moralisme zijner vrienden. Geen wonder intusschen, dat nu het pessimisme weer in hein de overhand krijgt. Zoo klaagt hij o. a. in cap. 9 : 25, 2(3 :

Mijn dagen zijn sneller dan ijlende boden ;

Zij vlieden daarheen zonder 't goede te zien;

Zij glijden voorbij gelijk schepen van biezen ;

Een' arend gelijk, die daar vliegt naar zijn prooi.

Waar zijne dagen zoo in ellende voorbij vliegen, sneller dan de ijlbode op het land, de rieten schepen in het water en de adelaar in de lucht, daar kouit ook 't verlangen naar den dood weer boven, zoodat hij aan

Sluiten