Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu is ons zooeven gebleken, dat voor Job in het Jenseits alles nog donker is. Zijn verlangen naar den dood komt voort uit pessimisme. Ik durf echter niet zeggen of hier toch niet misschien reeds een drang dei verborgene hope valt te bespeuren. In elk geval is zooveel zeker, dat we in cap. 9 : 33 reeds eene uiting vinden van het bewuste zoeken naar den Middelaar.

De ziel van Job dorst naar recht. We hoorden hem in cap. 9 : 17 zeggen, dat God zijne wonden vermenigvuldigt zonder oorzaak. En daarin stemde hij overeen met het eigen getuigenis des Heeren in cap. 2:3. Nu wil hij bij God zijn recht doen gelden. Maar daartoe voelt hij zichzelf niet in staat. En toch laat zich het rechtsbesef in hem niet uitroeien. Daarom zoekt hij eenen Middelaar, dien hij echter nog niet ziet. Zoo klaagt hij cap. 9 : 33 :

Er ia geen scheidsman tuaschen ons,

Dat hij zijn hand legg' op ons beiden.

Dit resultaat is nu wel negatief, maar het is toch van de hoogste waarde. In de ziel van Job druischt het tegen elkaar in, dat hij niet rechtvaardig is en toch wel rechtvaardig. Daarom zoekt hij de oplossing in den Middelaar. En al ziet hij nu dien Middelaar niet, toch houdt die Middelaar hem bij de hand en houdt zijn goddelijk oog op hem geslagen. Die Middelaar is de tleere der engelen en heelt, hetzij persoonlijk, hetzij door een' gedienstigen geest, tot Elifaz het bekende openbaringswoord gesproken. Hij, die de Zoon des Vaders is, heeft door den Heiligen Geest een goed werk in Job begonnen en zal het ook voleindigen. Ala de golven woedend alaan

Tegen rotsen op en neer, —

Laat m\j aan uw zij dan staan Tot de storm voorbij ia, Heer.

Sluiten