Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vers 12, 13, die we wellicht met Friedrich Delitzsch

aldus moeten vertalen :

Een domme zou eer nog ter harte zulks nemen,

Nog eer wierd een woudezelsveulen een mensch, Dan dat gij uw harte [voor God] zoudt bereiden En breiden tot hem uwe handpalmen uit.

Uit het verband blijkt, dat deze woorden hoofdzakelijk betrekking hebben op Jobs weigerachtigheid om te erkennen, dat zijn lijden eene straf is voor begane zonden. Hier handhaaft Zofar de doctrinaire vergeldingstheorie der beide andere vrienden.

In Jobs eerste antwoord aan Zofar heerscht nu over 't algemeen een andere toon dan in zijne vorige rede. Daar bewoog de lijder zich op de hemelhooge golven der levenszee en voor zijn geloofsoog werd de zon als op den middag verduisterd. Hier echter heerscht eene betrekkelijke kalmte. Wel is het watervlak nog niet effen, maar de golven verheffen zich toch niet meer huizenhoog.

Zofars waarschuwing tegen eenzijdigheid heeft hier zeker mede toe moeten dienen. Maar Job heeft toch in de redenen zijner vrienden de rechte medicijn niet gevonden. Wat zij hem voorhouden is minstens even eenzijdig ; het zijn louter gemeenplaatsen, aan de tlieologia naturalis ontleend, waarheden, die verkondigd worden door het gevogelte des hemels, het gedierte der aarde en de visschen der zee. Maar op de diepe vragen, die Jobs ziel beroeren, hebben zij geen ernstig antwoord. Zoo klaagt dan de lijder in cap. 12 : 4—6 (ik volg in de vertaling van vers 4 Friedrich Delitzsch)

lk ben [een man, die] spot [vindt] bij zyn' naaste :

„[Zoodra] hij roept tot God, geeft Hij hem antwoord !" [Men] spot [met mij : „Hij is] volmaakt rechtvaardig!" — [Zoo vindt] het onheil smaad, [zoo vindt] het peinzen hoog-

[inoed;

Wie wankelt van voet wordt geslagen. —

In ruste zijn de tenten der verwoesters;

Sluiten