Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom zou ik myn vleesch in mijne tanden nemen?

En leggen mijne ziel in mijne hand?

Zie, wou Hy mij dooden, — 'k zou op Hem vertrouwen,

'k Zou toch mijnen weg voor zijn aanschyn bepleiten.

Ook is Hü my tot zaligheid,

Wyl voor zijn aangezicht geen huichelaar zal komen.

Job ziet geene oorzaak waarom hij, gelijk een roofdier, zijn vleesch als prooi tusschen zijne tanden zou wegdragen en zijn leven niedenemen in zijne hand. Ook aan gene zijde des grafs toch kan hij zijne rechtvaardige zaak nog wel doorzetten. Al wil God hem ook dooden, toch zal hij op dien God (Qerê hopen en zijnen weg voor Hem bepleiten.

Nu komt er ook op dit punt wel weer sterke twijfel. Zie cap. 14 : 7—10:

Voor een' boom is er hoop, als hij af is gesneên,

Dat hij nog zich vernieuwt en zijn scheut houdt niet op. Wordt ook zijn wortel verouderd in d' aard,

En versterft al zyn stam in het stof, —

Hij spruit van de reuke des waters weer uit En brengt als een jeugdige plant zijne twyg voort.

Maar een man sterft daarhenen als hy is verzwakt, Een mensch overlydt, — en waar is hy ?

Maar tegen deze ongeloofsgedachten worstelt de ziel van Job in. Al is het ook, dat de overwinning van den dood pas komt, wanneer hemel en aarde niet meer zijn (vers 12), toch wil hij zich gaarne zoolang onder Gods hoede in den begeven (vers 13), en hij uit zijn

hopend verlangen in deze woorden (vers 14):

Zal een man, als hy sterft, [weder] leven?

'k Zou hopen al de dagen van myn' stryd,

Totdat mijne aflossing komt.

Eene dubbele hope der toekomst vinden we hier bij Job : aflossing uit het strijdperk aan 't einde zijns levens, en genot der victorie aan het einde der eeuwen.

Sluiten