Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar hij zich meer en meer gaat stellen als tegenover inttT (caP- 4 : 1?^), daar wint ook in hem het bewustzijn aan kracht, dat deze Maker het werk zijner handen niet zal overgeven ten verderve (cap. 14 : 15) en niet verlaten, zelfs in den

De positie van Elifaz is in zijn tweede rede aanmerkelijk zwakker dan in zijne eerste. Toen kon hij optreden als drager der openbaring, maar nu niet meer. Ëene nieuwe openbaring heeft hij blijkbaar niet mede te deelen. En wat de oude betreft — 't is of een zeker instinct hem zegt, dat hij daar maar verder over zwijgen moet tegen Job, wijl deze hare diepte beter heeft gepeild dan hijzelf. Maar al mist hij nu voor 't vervolg de kracht der goddelijke autoriteit, toch geeft hij zijn standpunt niet. Daarom gaat ook hij nu steun zoeken in de overlevering der ouden (cap. 15 : 18):

Hun was het land alleen gegeven,

Geen vreemde ging er in hun midden door.

Ze waren dus gevrijwaard tegen ketterij, en hierin ligt eene zijdelingsche beschuldiging tegen Job, dat hij er reeds mede besmet was. Bij die vaderen werd de orthodoxe vergeldingstheologie zuiver aangetroffen. Hoor, hoe Elifaz in hunnen geest de vermetelheid schildert van den man, die tegen God durft aanrennen, maar toch in 't eind ontijdig omkomt (cap. 15 : 23—27):

Hij dwaalt [en vraagt] naar brood: Waar is 't ?

Hij weet dat door zijn hand de duistere dag bereid is. Benauwdheid en bedrukking maken hem verschrikt, Hem overvallende als een krijgsvaardig koning; —

Daar hij naar God zijn hand heeft uitgestrekt, En trotschelijk tegen d' Almacht zich gedragen.

Hij liep Hem tegemoet met [stouten] hals, Aaneengesloten ruggen zijner schilden,

Terwijl hij zijn gelaat met vet had overdekt En vettigheid gevormd had op zijn lenden.

Sluiten