Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als scheidsman (cap. 9 : 33) tusschen God en zich. De advocaat, die voor hem pleiten zal, moet zelf God wezen. Immers het subject van rD'Pl is c'e tot wien hij zijn tranend oog opheft, de hemelsche getuige, van wien hij in vers 19 heeft gesproken. Maar deze goddelijke Middelaar moet ook mensch wezen. Niet i,gelijk een mensch", of „als een mensch", maar „als mensch" moet hij voor Job (die als mensch zijn naaste is) pleiten bij God. Zoo vinden we hier eene persoonsonderscheiding in het goddelijk wezen op de wijze van Gen. 19 : 24. En tegelijk een roepen om de vleeschwording dos Woords als postulaat van des menschel! ellende. Zoodat deze uitspraak van Job een schriftuurlijk bewijs levert tot rechtvaardiging van het standpunt door den Ileidelbergschen Catechismus ingenomen in vraag 15—17. (cf Kuyper, E Voto, Zondag 5, hoofdst. I).

Waar Job nu echter dit standpunt inneemt, daar is hij uitteraard nog niet tot zekerheid gekomen, dat het ook inderdaad zoo is als het naar eisch van zijnen toestand wezen moet. Deze zekerheid komt pas in de volgende rede. Den Middelaar, dien hij in cap. 9 : 33 mixte, zoekt hij hier, doch voor zijn bewustzijn bestt hij hem nog niet. Dit blijkt ook uit cap. 17 : 3 :

Neem u toch voor myn borg te zyn ;

Wie, wie zal mij den handslag geven?

In verband hiermede zien we nu, dat Job ook in het eschatologische nog niet tot de vastheid der hope gekomen is. Van de overwinning des doods is hij nog niet verzekerd. Getuige het XS l"HX «an 't slot

van cap. 10 en de doorgaande toon van cap. 17.

In cap. 18 is Bildad voor de tweede maal aan het woord. De verhouding tusschen de eerste en de tweede rede is bij hem ongeveer dezelfde als bij Elifaz. Deze

Sluiten