Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andering verijdeld. Daarom zijn zijne harp en orgel veranderd in rouwklage en geween.

Hoe is toch (cap. 31) deze verandering te verklaren ? Niet uit den algemeenen regel in cap. 27 aangegeven. Neen, Job geeft zijn recht niet over. Hij legt er vollen nadruk op, hoe hij in heel zijn' wandel is geweest godvreezende en wijkende van het kwaad. Echtbreuk en onkuische blikken, oneerlijkheid en woeker, ongerechtigheid jegens dienstbaren (immers creaturen van denzelfden God, die Job in den moederschoot formeerde), onbarmhartigheid jegens armen, weduwen en weezen ; mammonsdienst en andere afgoderij, haat jegens den vijand en verzuim van gastvrijheid, — dat alles heeft Job gehaat en nagelaten. Hij lijdt niet om zijne zonde.

Daar ligt het probleem, voor Job even duister als voor de vrienden. Wel ligt er in zijne rede eene aanduiding, waar de oplossing te vinden is, namelijk in de verborgene wijsheid Gods. Doch Job is weer niet in eene stemming, om in deze verborgene wijsheid te rusten en te roemen. Trouwens, hij heeft in deze wijsheid (naar alle waarschijnlijkheid althans) niet zijn' Goël herkend, terwijl er in zijne kennis van den Middelaar nog een ander hoogst gewichtig element ontbreekt, dat eerst door Ëliliu zal worden uitgesproken.

Zoo kan het dan niet anders, of Job moet zich door zijnen God verongelijkt achten. Dat heeft hij reeds uitgesproken in 't begin van cap. 27 en hij doet het weer aan 't einde van cap. 31. Hij doet het in bewoordingen, waarover hij zich weer zal moeten verootmoedigen in stof en assche.

//Ziellier mijn handschrift, mijne klacht Clfi |fi),

roept hij. Op die klacht moge de Almachtige hein antwoorden. Job waagt het erop. Niet met gebogen hoofd, maar als vorst zal hij tot Hem naderen.

Sluiten