Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cap. 40 : 6 Hebr. tekst) terstond aan de toegediende bestraffing het zegel zijner goedkeuring hecht (cap. 38 : 2).

Het zwaartepunt der Elihu-redenen ligt in cap. 33 : 23, 24. Na een breedvoerige inleiding (cap. 32 : 0 — 33 : 7), waarin hij zijne jonkheid verontschuldigt niet de opmerking, dat Gods Geest bij 't verleenen van wijsheid niet aan leeftijd gebonden is (cap. 32 : 8; 33 : 4), terwijl hij Job geruststelt niet eraan te herinneren hoe zij beiden voor God gelijk zijn (cap. 33 : 0, 7), begint de Buziet zijn standpunt te ontwikkelen. Van bepaalde wandaden beschuldigt hij Job niet. Hij beschouwt (cap. 33 : 19-22) het lijden van Job niet als straf, maar als kastijding, en deze beschouwing is niet geheel en al van juistheid ontbloot. Wel was dit aanvankelijk niet het karakter van Jobs lijden, gelijk uit cap. 1, 2 overduidelijk blijkt. Maar Job zelf erkent reeds in cap. (5: 3/4 dat zijne iiwoorden afgegleden" zijn tengevolge van zijn lijden. En door dit vallen in zonde dat zich sedert gedurig herhaalde, heeft Jobs beproeving secundair wel ter dege het karakter van kastijding verkregen. Zooals de stand van zaken nu geworden is, kan Job niet worden hersteld, voordat hij geleerd heeft zijn lijden te verstaan en zijne zonden te belijden. Hiertoe echter moet een Elihu optreden, wiens redenen, tegenover den doorgaans supralapsarischen geest van dit boek, het onmisbaar infralapsarisch tegenwicht vormen.

In cap. 33 : 23, 24 wordt nu door Elihu de sleutel tot oplossing van het vraagstuk des lijdens aangewezen. Als de zondaar door Gods kastijdende hand aan den

rand des verderfs ligt, dan komt er een een

Het volgende „één uit duizend" verbiedt om bij dezen aan een' geschapen engel te denken,

daar dit tot de consequentie zou voeren, dat het getal

Sluiten