Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der goede engelen zeer klein is in verhouding tot dat der gevallene, een gevoelen dat in Gods Woord niet den geringsten steun vindt, en dat we op geenerlei grond aan Eliliu kunnen toeschrijven. Doch wanneer ('e engel is moet hij een mensch wezen,

daar het toch in elk geval een redelijk wezen is, dat den mensch bekend maakt met THJT, d.i. de weg der vroomheid, dien hij heeft te bewandelen (was ihm frommet, Franz Delitzsch). 't Is dan ook niet onwaarschijnlijk, dat Elihu denkt aan een' of anderen drager der godsopenbaring, die den rechten weg der zaligheid verkondigt. Maar vers 24 leert ons, dat we dan toch in elk geval dezen hebben te beschouwen als

instrument van den ongeschapen Engel. Want waar in vers 24 de rechtvaardigmaking volgt, daar moet noodwendig bij de verkondiging in vers 23 aan de krachtdadige roeping (vocatio erticax) worden gedacht. De zondaar, door Woord en Geest tot bekeering geroepen door Dengene, die voor hem verzoening heeft teweeggebracht, wordt vrijgesproken door God den Vader, die nu zeggen kan ^ den lospr ijs gevonden.

Hoofdzakelijk wegens dit TlXStD z'jn dereden van Elihu onmisbaar in liet geheel van het boek Job. Want onder dit gezichtspunt hebben we Job nog nooit zijnen Middelaar hooren beschouwen. De Goël van cap. 19 : 25 moet zijnen onrechtmatigen dood wreken, maar van een bedekken zijner schuld voor God is daar geen sprake. Wel begeert Job in cap. 10 : 21 dat zijn hemelsche getuige voor hem pleite bij God, maar dat er een grond moet zijn om op te pleiten wordt ook daar niet uitgesproken, evenmin als in cap. U : 33. En waar Job nu in de bezoeking nog nooit bij het plaatsvervangend lijden van zijn' Borg heeft stilgestaan, daar moet luj zijn eigen lijden wel als eene onrechtvaardigheid beschouwen, en kan het ons niet verwonde-

Sluiten