Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede rede des Heeren gevormd door de beschrijvingen van mans en jmb. Dat we bij deze dieren te

denken hebben aan nijlpaard en krokodil is o. a. door Franz Delitszch aangetoond. komt hier in anderen

zin voor dan cap. 3:8; het duidt zoowel groote zeemonsters aan als reusachtige dieren van 't slangengeslacht.

De beschrijvingen van nijlpaard en krokodil moeten echter beschouwd worden onder 't gezichtspunt van cap. 40 : 8—14. Wanneer Job ten rechter wil zitten over God, laat hem dan eerst als rechtvaardig rechter oordeelen over hoogmoedige schepselen. Kom Job, bekleed u met majesteit en houd eens een' oordeelsdag. Maar dan ook rechtvaardig; gebruik geen aanzien des persoons. Zie den hoogmoedige aan, ja, maar om hem ter neder te werpen. Nog eens, zie den hoogmoedige aan, maar om hem ten onder te brengen. Wanneer ge zoo als een rechtvaardig god over de goddeloozen ten rechter zit, dan zal de Heere u loven, Job, want Hij is met dat werk niet onbekend. Hij weet wat het in heeft om als rechter te zitten over 't gansch heelal.

In heilige ironie wordt Job nu door den Allerhoogste uitgedaagd om maar eens gericht te houden over behemoth en leviathan. En dan verder, midden in de teekening van dit laatste dier, wordt de toepassing gemaakt (cap. 41 : 2, 3):

Niet [een zoo] koen, dat hij hem op zou wekken

En wie is hy [dan, die] zich tegenover My zou stellen?

Wie kwam Mij voor, dat Ik hem zou vergelden ?

Wat onder heel den hemel is, is mijn.

Deze woorden (met de voorafgaande en volgende) worden door Friedrich Delitzsch den leviathan in den mond gelegd, waarbij hij vers 2a vertaalt „Kein Tollkopf, dass er midi 1) wecken sollte", zonder voor de verandering van

1) Ik cursiveer.

Sluiten